maandag 16 november 2020

Begrafenis

 

Ik ben een laatbloeier, in veel opzichten. Op mijn dertigste verscheen Bernard in mijn leven met wie ik op mijn twee- en dertigste trouwde. Toen ik drie en dertig was kregen wij onze eerste dochter. Mijn moeder beviel op die leeftijd van haar vijfde dochter, dat geeft een beetje aan wat ik bedoel met laatbloeier. De nacht dat ik voor het eerst aan het bevallen was realiseerde ik me opeens dat ik weliswaar als predikant tientallen baby’s had gedoopt maar geen idee had gehad waar al die net bevallen moeders doorheen gegaan waren. Ynskje, de jonge vrouw van een boer, kwam al puffend op mijn netvlies: ”Dus dit heeft zij ook allemaal moeten doormaken.” Wat had ik altijd onnozel bij het doopvont gestaan terwijl diep respect op zijn plaats was geweest.

Iets dergelijks ervoer ik toen we als familie de begrafenis van mijn vader aan het voorbereiden waren. Vanmiddag om 13.00 gaan we hem naar zijn laatste rustplaats brengen. Als jonge predikante leidde ik destijds tientallen begrafenissen, was ik in gesprek met de familie, overlegde ik met de begrafenisondernemer. Ik ken het klappen van de zweep. Maar nu het om mijn eigen vader gaat komt alles opeens in een ander licht te staan. De afgelopen week ging ik intiemer dan ooit met mijn zussen en mijn moeder om. ‘Verdriet en dankbaarheid hand in hand kan enorme intimiteit geven’, las ik ergens. Net als toen ik aan het bevallen was realiseer ik me dat ik tot nu toe een buitenstaander was. Van het mysterie rond een begrafenis.

Onze jongste kleindochter van bijna vier beseft dat ze maandag iets buitengewoons gaat meemaken. Toen haar moeder haar vroeg: ”Wat vinden jullie van de begrafenis maandag?’ Antwoordde ze “uuuhhh gewoon. Verrassend. Ik weet nog niet wat het is”. Ze zal het gaan meemaken.  

maandag 9 november 2020

Contractpension

 

Bernard en ik wonen nu vijf weken op de ‘Utrechtse Heuvelrug’ in een zomerhuisje dat ooit ‘contractpension’ was. Utrechtse Heuvelrug is de term voor het heuvelige landschap in een deel van Utrecht en Noord-Holland. Het bos achter ons huisje grenst aan de hoogste heuvel die niet onderdoet voor heuvels in Zuid-Limburg: de ‘Amerongse berg’. In de twintigste eeuw werd deze streek daarom belangrijk voor toerisme en begon het er te wemelen van hotels en pensions. Pensions en hotels die na 1945 allemaal leegstonden en in verval raakten want er was geen geld en geen tijd voor toerisme en vakantie.

Nederland had na de oorlog wel te kampen met grote woningnood en een toestroom van de eerste vluchtelingen: Indonesische Nederlanders die uit het van Nederland onafhankelijke Indonesië moesten vertrekken. Die leegstaande pensions en hotels op de Utrechtse Heuvelrug bleken een prima huisvesting. De regering sloot contracten met de pensionhouders af voor de vluchtelingen en zo leek het een prachtige win-win situatie. Maar na vijf weken in zo’n huisje realiseer ik me dat het voor die mensen uit Indonesië helemaal geen win-win geweest moet zijn. Het huisje is idyllisch aan de buitenkant maar zelfs voor twee personen piepklein vanbinnen. Destijds was het steenkoud in de winter.  

Over drie weken gaan wij naar een ‘echt’ huis. Met meerdere verdiepingen; een woonkamer en keuken, studeerkamer, drie slaapkamers, badkamer, garage, tuinhuisje en tuin. Wat een luxe. Na twee maanden in de nauwe huisvesting van het ‘contractpension’ zal het straks op een vakantie in een sjiek hotel lijken. Een hotel waar we zelfs niet uit onze koffers hoeven te leven want het is voorzien van kasten op elke verdieping.

Corona levert ons allemaal veel beperkingen op, maar mensen die klein behuisd zijn zijn het slechtste af, dat leer ik in elk geval in deze tijd.

maandag 2 november 2020

Wow

 

‘Ik heb een gruwelijke hekel aan boodschappen doen’, bromde een oude man. Maar de vrouw naast hem zei: ’Dit is zo’n beetje het enige uitje dat nog toegestaan is, ik zou er maar iets leuks van maken.’ Ik grinnikte en dacht dat als ik deze mensen gekend had ik met hen in gesprek was gegaan. Want ik houd van boodschappen doen en sinds we niet meer in de Westereen wonen en keuze hebben uit vijf dorpen -op ongeveer dezelfde afstand- is het een ware uitdaging. Vanmorgen koos ik Scherpenzeel uit het aantal vijf: Leersum, Amerongen, Veenendaal, Renswoude en Scherpenzeel. Maar het verschil met boodschappen doen bij de Aldi in de Westereen is dat er hier alleen vreemden rondlopen.

Ik parkeerde tegelijk met een oudere man, deed mijn mondkapje op, zocht boodschappentassen bij elkaar en stapte uit. Hij bleef zitten in de houding van een vertegenwoordiger, ik zag hem door het raam heen aantekeningen maken. Hij zwaaide naar me toen ik langsliep. We kwamen tegelijkertijd terug bij onze auto’s. Hij was blijkbaar later toch uitgestapt en niet helemaal meer een vreemde, dus flapte ik eruit: ‘Ben u vertegenwoordiger?’ Stralende lach van zijn kant: ‘Ja zeker, hier…’, hij deed een greep in de doos onder zijn arm: ’Ik doe in chocola, deze reep krijgt u van mij.’

Verbouwereerd bekeek ik de reep die er meer als een artistiek kunstwerkje uitzag dan chocola. ‘Helemaal handgemaakt in Nederland en ook helemaal Fair Trade’, zijn trots blik verraadde een goede vertegenwoordiger. ‘En in welke winkels worden die repen verkocht’, vroeg ik. ‘Bij Primera, we zijn nog maar een paar maanden bezig maar het loopt goed’. ‘Daar ga ik reclame voor maken’, beloofde ik, want ik ben net verhuisd uit een Fries Dorp waar ook een Primera is.

Op het label las ik “Wowcacao” 😊

maandag 26 oktober 2020

Angsthaas

 

‘Google maps’, gebed en een goede mountainbiker waren mijn redding.

Dat zit zo: na gisteren een halve dag in de auto gezeten te hebben bedacht ik vanmorgen dat een stevige wandeling in het bos me goed zou doen. Per slot van rekening wonen we nu al bijna twee maanden in de bossen tussen Amerongen en Leersum. Die bossen waren ooit in het bezit van rijke landeigenaars. Wat daar nog van rest zijn de bordjes bij de ingangen: ‘Landgoed het Hek’ en ‘Landgoed de Laan’. Weinig spannende  namen waarachter een sprookjesachtig bos ligt. Ik genoot van de wandeling in mijn eentje en voelde me een brave staatsburger met dit ‘Corona-proof’ gedrag. Aan het begin van de lockdown liep ik ook vaak in ‘de Mieden’, het moerasachtige gebied rond de Westereen. Misschien minder sprookjesachtig, niet minder mooi.

Maar na een uur sloeg mijn wandeling-stemming om want opeens kreeg ik de onplezierige gedachte: Wat als ik nu iemand met verkeerde bedoelingen tegen tegenkom? Was die Anne Faber ook niet ergens in de bossen van Utrecht vermoord? En toen ik in de verte een man zag lopen sloeg mijn hart een slag over. Hij liep ver voor me uit en zag mij niet maar ik hem wel en over het zonnige van het pad met eeuwenoude eiken in geeloranje herfstkleuren viel een donkere schaduw. Hoe zou ik hier zo snel mogelijk vandaan kunnen komen? Mijn mobiel had stroom nodig en ik wist dat ik verdwaald was.

“Opzij!”, hoorde ik toen vlak achter me.  Ik draaide me om zag een mountainbiker in volle vaart op me affietsen. Die wil me in elk geval geen kwaad  doen bedacht ik in een flits. Met een lef dat mezelf verbaasde vroeg ik hem om hulp en binnen een half uur was ik veilig en wel in ons huisje.

maandag 19 oktober 2020

De tijd

‘Wanneer was ik hier eigenlijk voor het laatst papa gisteren of eergisteren?’ Mijn moeder en ik waren op bezoek bij mijn vader in het verzorgingshuis. Hij heeft het daar best naar zijn zin, de sfeer is er goed en hij mist thuis niet echt. Maar deze vraag bleek moeilijk. Hij keek mijn moeder vragend aan, maar die verklapte niks. ‘Uh, ik denk eergisteren’ mompelde hij voorzichtig naar mij toe maar uit de klank van zijn stem maakte ik op dat hij niet zeker was van zijn zaak.

Ik was er twee weken geleden voor het laatst; hij zat er dus ver naast. Ik wist dat hij het zich niet meer herinnerde, want zijn kortetermijngeheugen is helemaal weg. En ik vroeg het niet om hem te plagen maar om mijn moeder te laten zien hoe dat werkt bij iemand met beginnende dementie: we kunnen nog overal over praten met hem, maar hij is na een half uur vergeten waar het gesprek over ging en zijn besef van tijd is helemaal weg. Op de één of andere manier vind ik dat verfrissend. Want in de huidige maatschappij zijn veel mensen verslaafd aan de tijd die ze -netjes opgedeeld in hun agenda- met zich meedragen: Als je een afspraak wilt maken dan bepaalt de agenda of dat wel of niet kan. Veel agenda’s zijn zo volgepland dat mensen geen tijd voor iets spontaans kunnen maken. ‘Ik heb er geen tijd voor’, is een uitdrukking waar ik altijd kriebelig van wordt. Want tijd is niet iets wat je hebt: tijd krijg je, elke dag opnieuw, om er iets goeds mee te doen: ‘Leer ons zo onze dagen tellen dat wij een wijs hart krijgen’ (Psalm 90:12)

Besef van tijd is mijn vader verloren, een wijs hart heeft hij gelukkig nog steeds.

maandag 12 oktober 2020

'Doing the stuff'

 

‘And when are we going to do the stuff?’ Dit zinnetje draag ik al jaren met me mee. Het is een beroemd citaat van John Wimber die in Amerika al vanaf zijn 15e bekend was als jazzmuzikant en op zijn 29e tot geloof kwam. Hij groeide dus niet op met kerk en kerkgang. De eerste kerkdienst die hij meemaakte was verbijsterend. In zijn eigen woorden: ’Ik was de bijbel gaan lezen en van Jezus gaan houden, speciaal van al die dingen die Hij deed: verbluffend! Al die broden en vissen voor de mensen, die verlamde die weer kon lopen, Lazarus die zomaar uit dat graf opstond terwijl hij al vier dagen dood was. Ik vond het geweldig en kon niet wachten om mee te gaan doen in het Koninkrijk van God. Groot was dan ook de teleurstelling toen er in de kerkdienst helemaal niks gebeurde. Er werd gezongen, er werd voorgelezen uit de bijbel, er werd gebeden, we kregen de zegen mee en toen liep iedereen de kerk uit. Ik rende naar de dominee en vroeg hem: ‘And when are we going to do the stuff?’ De dominee begreep me niet. En ik besefte opeens dat kerkdiensten niet bedoeld zijn ‘to do the stuff’.

Jaren geleden hoorde ik al deze dingen op een conferentie van John Wimber. Ik ben ze nooit vergeten. En nu, midden in de Coronapandemie komen ze  vaak in me op. Want kerkdiensten zijn nog nauwelijks mogelijk, ‘doing the stuff’ wel. Moeten wij dan ook doden gaan opwekken, verlamden laten lopen, duizenden mensen te eten geven? Ja en nee. Nee: zo groots als Jezus het zelf deed zal het bij ons niet worden. Ja: mensen in nood zijn er overal, dat begint dicht bij huis. ‘Doing the stuff’ betekent: Ga dienen waar nood is!

maandag 5 oktober 2020

Ongemak

 

‘De avond is ongemak’ is de titel van een boek dat binnen twee jaar niet alleen talloze drukken maar ook meerdere prijzen in de wacht sleepte tot en met de ‘International Booker Prize’ toe. Dat is opmerkelijk, want de schrijfster, Marieke Lucas Rijneveld is nog maar negentwintig. Vijf jaar deed ze over het boek waar ze in de huid van Jas, een tienjarig meisje uit een boerengezin, probeerde te kruipen. In het leven van Jas is het twee jaar één en al ongemak na die bewuste Kerstavond waar haar oudste broer Mathies in ijskoud water verdrinkt.

Een gruwelijk uitgangspunt voor een roman. Hoe verwerk je als tienjarig meisje zoiets? Hoe verwerk je als ouders zoiets? Marieke heeft het drama nog indringender gemaakt door het te laten afspelen in een gereformeerd gezin dat lijkt op de gezinnen die Jan Wolkers en Maarten t ’Hart beschrijven: waar geloofd wordt in een strenge, straffende God. De dood van de oudste zoon wordt door de ouders van Jas gezien als de straf van God (die immers in het Oude Testament alle oudst geborenen van Egypte liet sterven). Zij menen ook te weten wat de zonde is waarvoor ze zwaar gestraft moeten worden: een abortus die ze ooit lieten plegen. Maar over alles wordt gezwegen. En Jas gaat op zoek: naar die God van het Oude Testament en naar haar eigen seksualiteit.  

Ik las het boek en voelde me steeds ongemakkelijker: de titel is briljant gekozen. Maar ook steeds verdrietiger: het is dus mogelijk om wereldbekend te worden met een boek waarin beschreven wordt hoe religie mensen niet opbeurt maar juist nog verder in de afgrond duwt. Eén van meest intrigerende uitspraken van Jezus Christus is: ‘Ik ben gekomen om mensen het leven te geven: in al zijn volheid’. (Johannes 10:10)

Geen dood dus, maar leven.

 

maandag 28 september 2020

Rode wijn

 

“Rode wijn, de verborgen nationale verslaving van pensionado’s”, las ik. Dat laatste ben ik niet maar ik ben wel dol op rode wijn dus het artikel had mijn interesse en ik dacht terug aan mijn studententijd in Groningen waar het dagelijkse glas wijn zijn intrede deed. Huisgenote Joukje en ik dronken het bij elke maaltijd. Zij had diëtetiek gestudeerd en was (toen al!) heel erg van het gezond en biologisch eten en rode wijn was daar volgens haar  een onderdeel van.

Toen Bernard een jaar of tien later verscheen leek het even alsof wijn plaats zou moeten maken voor bier. Bernard groeide op in Limburg en daar zijn ze meer van het bier. Maar na een paar jaar won de wijn het en toen wij in 1998 naar Kenia verhuisden hoorde een dagelijks glas rode wijn bij ons leven en hadden wij dus een probleem. Want wijn of bier drinken is in Kenia een zonde die groter wordt in ingeschat dan overspel of echtscheiding. “Dan drinken we gewoon cola”, suggereerde ik. Maar cola bleek, in tegenstelling tot wijn, snel te vervelen. Dus na een paar weken kocht ik toch maar een fles. Eerst verborgen we die voor de hulp achter in de kast. Maar veel vroeger dan ingeschat kwam zij erachter. Met het schaamrood op mijn kaken mompelde ik: ”Je zult me wel een slechte christen vinden maar in Nederland is wijn drinken helemaal geen zonde ”

Maar het schaamrood bleek helemaal overbodig want ze zei: ”Voor mijn ouders was wijn drinken nooit een zonde, want mijn vader was in Nairobi kok bij een Italiaanse familie en hij bracht vaak een fles wijn mee naar huis. Wat waren dat mooie tijden.” Van toen af dronken wij vaak samen een glas wijn bij de lunch, met een knipoog naar Italië!

maandag 21 september 2020

Vol is vol

 

Het is half 7 zaterdagmorgen en ik dwaal over de camping richting toiletten. Iedereen slaapt nog dus ik heb het rijk voor mezelf. Een halve maan pinkelt hoog in de lucht en in een paar caravans brandt een lichtje. Het zijn allemaal pensionado’s die hier kamperen en die hoeven niet vroeg uit hun bed. Ze brengen de tijd door met eten, fietsen, zonnebaden en afwassen. De kwieke campinghoudster vertelde me dat ze meer campinggasten dan ooit heeft dit jaar: ‘Ze blijven ook veel langer, sommigen wel acht weken’. In haar stem klinkt verbazing; voor haar zou 8 weken luieren een regelrechte ramp zijn.

Vanwege Corona kochten er dit jaar nog meer Nederlanders een caravan en daarmee is het aantal caravans en campers in Nederland tot meer dan een half miljoen gestegen. Dat betekent een tweede verblijfplaats voor meer dan een miljoen mensen want van één caravan maken op zijn minste twee mensen gebruik. Met deze informatie in mijn hoofd lees ik de weekendkrant bij het ontbijt met als eerste kop “Achterban coalitie boos over Moria-deal”’. ‘Moria-deal’ houdt in het opnemen van honderd vluchtelingen uit kamp Moria in Lesbos, Griekenland. Wiskunde was nooit mijn favoriete vak maar deze rekensom is niet moeilijk: honderd mensen zonder woning tegenover een miljoen mensen in het bezit van twee woningen.

‘Nederland is al veel te vol’, hoor ik in de wandelgangen over dit onderwerp. Maar hoe vol is vol? Door Bernards nieuwe werk voor Kerk in Actie krijg ik een andere kijk op de wereld. Nooit geweten bijvoorbeeld dat Libanon qua omvang een vierde van Nederland is met 6 miljoen inwoners. (Wij zijn in Nederland nog lang niet toe aan 6 keer 4 =24 miljoen inwoners.) Een kwart van die 6 miljoen inwoners in Libanon is vluchteling. Het geeft mij allemaal te denken.

maandag 14 september 2020

Het Baken

 

'We bellen alleen naar huis als er iemand overlijdt, anders nooit.' Ik zag de verbijsterde blik in de ogen van mijn moeder. We hadden zojuist ‘nou, tot morgen’ tegen mijn vader gezegd. Met een brok in haar keel was mijn moeder de kamer uitgelopen. Kon dit wel? Mocht dit wel? De man met wie ze 63 jaar lief en leef had gedeeld zomaar in de steek laten. 'We gaan heel goed op hem passen hoor'', de verzorgende probeerde haar op te beuren. 'Ook ’s nachts?', vroeg ze. 'Natuurlijk, we houden met een monitor oog op hem.' Mijn moeder: 'Hij moet vaak om het kwartier naar de wc en daarbij heeft hij steeds hulp nodig, beseffen jullie dat?'

Mijn vader werd vorige week opgenomen in een verpleegtehuis omdat het te zwaar werd voor mijn moeder om voor hem te zorgen. De situatie in hun huis in het bos in Ermelo kreeg het stempel ‘crisis’: dat betekent opname binnen 24 uur ergens in Nederland. De dag erna brachten mijn moeder en ik hem naar ‘Het Baken’, een woon-zorgcentrum voor ouderen in Elburg. De naam voor dit huis is helemaal van toepassing, want als mijn moeder iets nodig heeft in deze tijd is het een baken dat haar helpt om veilig te navigeren op de zee van dementie. Het is een onbekende zee voor mijn vader en ook voor mijn moeder en hun vijf dochters.

Ik heb de afgelopen vier jaar in de Westereen veel vrouwen leren kennen die me vertelden dat ze werken in een verpleegtehuis voor demente bejaarden. Ik nam het altijd voor kennisgeving aan. Nu ik van heel nabij mee mag maken wat dat werk inhoudt ben ik diep onder de indruk. Wat een taak om een baken te zijn voor echtparen die ronddobberen op de zee van dementie.

maandag 7 september 2020

Sloppenwijk

 

Het is dinsdagmiddag 1 september kwart voor vier ’s middags en ik plof uitgeput op de bank van de caravan neer. Het is niet een echte ligbank want hij doet ook dienst als eetkamerbank. Dat gaat zo in een caravan. Dus van liggen komt niet veel op deze bank. Vier stappen van de bank verwijderd is ons bed, daar neerploffen en blijven liggen had gekund, maar ik kreeg inspiratie voor dit blogje en nu zit ik te typen met het uitzicht op andere caravans, een grote koeienstal en nog verder weg een akker met mais.

Mei en september zijn mijn lievelingsmaanden: mei omdat het nog net geen zomer is, september omdat het nog net geen herfst is. Het zijn maanden die een verwachting met zich meedragen: bijna zomer, bijna herfst. Omdat we deze hele maand in de caravan gaan wonen - in verband met Bernards nieuwe baan- had ik naar 1 september uitgekeken. “Voor jou is het vakantie, voor mij hard werken”, met een grijns was Bernard vanmorgen vroeg naar Utrecht vertrokken. Het enige wat mij te doen stond was de caravan in te ruimen. Want daar waren we gisteren niet aan toe gekomen. In de voortent stonden dozen en koffers en bakken met levensmiddelen, kleren, toiletartikelen, en schoenen.

Ik had gedacht dat alles in een paar uurtjes gepiept zou zijn. Maar dat viel vies tegen. En opeens kwam mijn hulp Jacintha in Kenia in mijn gedachten. De eerste keer dat ik bij haar -in de sloppenwijk- op bezoek kwam in Nairobi was ik onthutst geweest.  Al haar bezittingen waren in een ruimte van drie bij drie meter gepropt. Niet slordig, maar keurig. Het had me destijds verbijsterd. Vandaag besefte ik voor het eerst  hoeveel werk het haar dagelijks kost om een beetje normaal te kunnen leven in een sloppenwijk.