maandag 15 augustus 2022

Dieptepunt

 

Wij wonen nu ruim een jaar aan de Pastorijloane  in de pastorie van onze gemeente. Gebouwd in de zeventiger jaren van de vorige eeuw in de “Bauhaus stijl.” Dat laatste weten wij sinds kort want we kregen een paar maanden geleden een Duitse dame op bezoek die helemaal verrukt uitriep:’Aber dies ist gans Bauhaus!’ Ze liep door het huis en slaakte de ene na de andere verrukte kreet. We kregen ook commentaar: op de kleuren, die hadden meer in de lijn van Mondriaan moeten zijn. Maar om in een blauw-geel-rode kamer te wonen lijkt ons niets. Het huis heeft iets vierkantigs, de kamer is een groot vierkant van bijna 8 bij negen vierkante meter. En overal zijn ramen. Grote ramen en kleine raampjes: twee en veertig stuks in totaal.

Ik heb ze vanavond geteld want vandaag was een bijzondere dag: de dag dat bijna al die twee en veertig ramen gezeemd werden. Het afgelopen jaar heb ik een paar keer de ramen aan de voorkant, die van Bernards studeerkamer en van de keuken onder handen genomen. Voor de rest heb ik het laten zitten: te veel werk, te veel heen en weer slepen met trappen en emmers en spons en zeem. Vandaag kreeg ik hulp, maar zelfs met zijn tweeën zijn we uren bezig geweest. Van huishoudelijk werk ben ik nooit gecharmeerd geweest en ramen zemen vind ik het dieptepunt. Als er werkelijk niks anders meer te doen is doe ik dat. Dus nooit. Want er zijn oneindig veel dingen belangrijker en leuker om te doen dan ramen zemen. Ik had tegen deze morgen opgezien. Maar toen Bernard vorige week zei: ’Het lijkt wel of er vitrage voor de ramen hangt’, besefte ik dat het gebeuren moest.

En nu hangt er geen vitrage meer, geen enkel spinnenweb, helemaal niks, we kunnen weer dwars door het vensterglas kijken, en wat geeft dat een mooi gevoel. Een beetje zoals wanneer je een nieuwe bril hebt. Had ik dit maar veel eerder gedaan. Ik voel me een beetje schuldig naar ons Bauhaus toe. Maar ja, twee en veertig ramen is niet niks….

maandag 8 augustus 2022

Campingleven (3)

 

Het is kwart over twaalf in de morgen, iedereen op de camping is weg, wij en de hanen hebben het rijk alleen. De camping heeft vijftien kampeerplekken, waarvan er op dit moment zes bezet zijn door caravans en campers. Er is één vouwcaravan van een echtpaar uit Rotterdam. Dat is hier inmiddels ook al een tijdje. Ik houd er van om mensen te bestuderen en op deze camping, met een komen en gaan van kampeerders, vermaak ik me dus opperbest.

Wij zijn het enige echtpaar dat ’s ochtends na het ontbijt gewoon pas op de plaats houdt, wij gaan er bijna nooit op uit in de omgeving. We zijn even in Coevorden, Hardenberg en Hoogeveen geweest voor ons gezamenlijke lolletje: naar de Kringloop en naar de Action. Hoogeveen bleek een groot succes want met een stapel van zes boeken ‘die ik altijd al had willen hebben’ onder mijn arm kwamen we terug op de camping en wist ik dat ik de komende dagen zoet zou zijn. Ik ben dol op biografieën en las er twee, de ene van Willem Nijholt, die inmiddels net zo oud is als mijn moeder. Hij heeft als klein jongetje in Indonesië in een Jappenkamp gezeten en hoe hij daar over schrijft is hartverscheurend. De andere van Marga Kool, een schrijfster uit de buurt, die veel in het Drents schreef maar in het Nederlands haar biografie ‘Een kleine wereld’, over hoe ze opgroeide op een Drentse boerderij in de jaren zestig. Een hele andere wereld dan die van Willem Nijholt, maar niet minder ontroerend.

Aan het einde van elke middag komt iedereen bij zijn caravan of camper terug, dan drinken de meeste stellen een biertje voordat het kokkerellen begint. ‘Waar zijn jullie geweest?’, vraag ik één van de nieuwelingen, die ik voor haar vertrek driftig op de laptop zag tikken. ‘We hebben een rondvaart gemaakt in Coevorden, ik had uitgevonden op internet dat die alleen op dinsdagmiddag is. Op vakantie moet je wel ergens naar toe.’ Ik lach haar bevestigend toe en bedenk dat ik vanmiddag helemaal naar Indonesië geweest ben 😊 

maandag 1 augustus 2022

Campingleven (2)

 

Wij gaan onze derde week op de camping in en ik kan met niet herinneren dat ik ooit eerder zo lang op dezelfde camping ben geweest. En dat terwijl Bernard na één dag mompelde: ’Als die hanen zo blijven kukelen dan gaan we hier weg.’ Die hanen zijn nu onze huisdieren geworden, ze komen vaak even een kijkje nemen in de voortent, nooit geweten dat hanen zulke sociale dieren zijn. Heel nieuwsgierig ook, elke keer als er een nieuwe caravan of camper arriveert komen ze in een horde al kukelekuend aandraven om te zien of er wat te halen valt. ‘Geef ze alsjeblieft niks’, zegt Bernard tegen me. Dat doe ik dus niet  Desondanks komen ze graag bij ons en sommige van hen zijn werkelijk een lust voor het oog. ‘Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om ze te slachten, ik weet dat ik veel te veel hanen heb, maar ja, wat doe je eraan?’, zegt de campingbaas.

Mijn eerste gesprek met hem ging over zijn hanen, ik noemde ze ‘het enige minpuntje van de camping’. Dus ik had mezelf meteen al in een kwaad daglicht gesteld. Inmiddels prijs ik elke keer als ik hem zie de schoonheid van zijn hanen en beseft hij dat wij wel meevallen en toen we besloten om nog een week aan onze geplande twee vast te plakken was er geen enkele reden meer om ons als ‘die lastige mensen’ te zien. Hij heeft me zelfs het plekje van de sleutel naar het washok onthuld zodat ik hier al twee wassen in de wasmachine gedraaid heb. De luxe van thuis, op de camping. Volgende stap is dat hij zegt: ’doe de afwas maar in onze afwasmachine.’ Maar dan zou het bijna al geen kamperen meer zijn, ik moet met schamen…

Het echte kamperen doen de fietsers met tent- en al het andere- op de fiets waarvan wij er vele hebben zien komen en gaan op onze hanencamping. Ik spreek steeds weer mijn grote bewondering uit en elke keer krijg ik als antwoord: ’Het is een fiets met ondersteuning hoor.’ Nederige fietsende Nederlanders.  

maandag 25 juli 2022

Zondagmorgen

 

Het is onze tweede zondagmorgen op de camping en ik stel voor om vandaag niet naar de kerk te gaan. ‘We moeten onze eígen bijeenkomst niet verzuimen’, zeg ik tegen Bernard, 'maar die is in de Westereen en we zijn nu op vakantie.’’ Bernard capituleert en ik maak me klaar voor een lange wandeling door het bos vlak bij de camping.

Het eerste stuk is over de weg, een prachtige oude kronkelweg omzoomd door al even oude eiken. Ik geniet van het uitzicht: koren- en maisvelden, omzoomd door boswallen. Dan zie ik in de verte een fietser aankomen. Dichterbij herken ik hem, het is Evert. Toen we twee weken geleden aankwamen had het hard geregend en was de caravan in een kuiltje met water beland. De campingbaas zei: ’Ik vraag Evert wel even, die wil altijd wel helpen.’ Evert bleek een jongeman van dezelfde leeftijd als onze zoon, zelfde postuur: lang en open gezicht en heel spraakzaam. Hij hielp de caravan uit de kuil en vervolgens zag ik hem in twee weken niet. Nu bleef hij even stilstaan gebogen over het stuur van zijn fiets waar een rode zakdoek over hing. ‘Da’s voor de boeren’, zei hij, ‘die support ik.’

‘En wat doe jij zo vroeg hier?’, kon ik niet nalaten te vragen. ’Oh, ik ben even naar de Jumbo in Coevorden geweest, want Albert (de campingbaas) is christelijk en die mag geen boodschappen doen op zondag, dus doe ik het maar even voor hem, ik ben niet christelijk.’ Hoezo ben jij niet christelijk?, vroeg ik hem. ‘Nou, ik geloof in de oerknal en als je christelijk bent dan mag je daarin niet geloven.’

Dit was niet het moment om te  gaan preken, maar toch kon ik het niet nalaten en ik zei: ’Evert, volgens mij ben jij veel christelijker dan je denkt, want ik zie dat je altijd wil helpen, en dat is heel erg christelijk, een helper zijn.’ Ik zag dat Evert zijn wenkbrauwen optrok en er verscheen een klein lachje op zijn gezicht.’

Ook 'waar twee in mijn naam  bij elkaar zijn ben Ik in hun midden' 😊

maandag 18 juli 2022

Tijd

 

Eerste handeling die ik s ’morgens verricht is een wandelingetje door ons achtertuintje. Aan drie zijden van onze pastorie grenst een immense lap grond, maar aan de vierde kant is een ommuurd achtertuintje. Binnenplaatsje zou je het ook kunnen noemen. Daar zaaide ik in maart Zinnia-zaadjes. Al vrij snel verschenen er kleine groene sprietjes, in april werden die sprietjes steeds groter en in mei waren het groene steeltjes met bladeren. ‘Wat is dat voor een plant?’, vroeg iemand van de vaste planten. Hij had nog nooit van Zinnia gehoord. Zinnia hoort voor mij in de top tien van mooie bloemen, maar voordat deze bloeit duurt een hele tijd. Want het is inmiddels juli en er is nog steeds geen bloem te zien. Wel een grote, veelbelovende knop. Als wij terugkomen van vakantie dan bloeien de Zinnia’s waarschijnlijk dat het een lieve lust is. En dan zal het zijn alsof er een wonder is gebeurd, want toen we van huis weggingen was er nog niks te zien.

Als we thuis waren gebleven dan was dat wonder ook gebeurd, maar dan had ik er waarschijnlijk niet bij stilgestaan. De hele zomer door bloeien overal bloemen, waarvan in april nog helemaal niets te zien was. En voor al die bloemen geldt dat die bloei niet als bij toverslag kwam, er was tijd voor nodig. Tijd is iets heel merkwaardigs: ieder mens leeft in en met de tijd, maar niemand heeft grip op de tijd. De Enige die grip op de tijd heeft is God. Van Hem is de tijd en Hij heeft bepaald dat de mens in de tijd moet leven. God heeft de tijd niet nodig om een wonder te verrichten. En voor Jezus, de Zoon van God, geldt hetzelfde: in een oogwenk maakte Hij van water wijn, van een paar broodjes meer dan duizend stuks.

Opeens begrijp ik de zin die Job, in het Oude Testament, uitroept: ’Sta stil en let op Gods wonderen!’ God doet nog steeds wonderen, Hij doet ze eigenlijk voortdurend, maar een mens neemt vaak niet de tijd om daar bij stil te staan.

(Jop 37:14b)

maandag 11 juli 2022

Minpuntje


Bernard en ik zijn dol op boerencampings omdat ze klein en rustig zijn. We zitten nu vlak bij de Duitse grens, als ik in de caravan sta te koken kijk ik uit op Duitsland. Dat is goed voor het vakantiegevoel.

Toen we arriveerden, vier dagen geleden, hadden we de camping voor onszelf. Inmiddels zijn er nieuwe caravans gearriveerd en ook al weer weggegaan. Overeenkomst is dat in elke caravan of camper een echtpaar van onze leeftijd zit: tussen de 60 en 70 jaar, grijze en witte koppen, zitten- en koffiedrinken gedrag. Er wordt niet veel ondernomen, iedereen zit in zijn voortent te zitten en te lezen, op tablet of telefoon. Maar vanmorgen in de douche hoorde ik een gesprek aan tussen twee mannen, ik weet niet welke van de grijze koppen het waren, laat ik ze Jan en Piet noemen.

Jan: ‘Fijne rustige camping is dit he?’ Piet: ‘Ja, vroeger hadden wij geen caravan en toen kwamen we nooit op zulke campings, maar nu met een caravan vinden we het wel fijn.’ Jan: ’Wij gingen met de caravan wel helemaal naar Portugal, maar door Corona is daar de klad ingekomen en hebben we de boerencamping ontdekt.’ Piet: ’Op een paar minpuntjes vinden wij het prima hier.’ Nu spitsten zich mijn oren, want wij hebben ook een minpuntje. Jan en Piet wisten niet dat ik meeluisterde, dus ik smeerde de Nivea op mijn gezicht en was benieuwd wat Piets minpuntjes zouden zijn.

Piet: ’Nou voor ons is een mooie toiletruimte het allerbelangrijkste. Die heb je in soorten en maten he? Bij sommige campings zijn ze echt prachtig, dat kun je van deze niet zeggen.’ Bijna was ik uit de doucheruimte gesprongen om tegen Piet te zeggen: ’Dit is een boerencamping, geen viersterrenhotel’, maar ik hield me in. Ik was benieuwd of Jan ook een minpuntje had en of dat hetzelfde als het onze was. Maar het gesprek bleef hangen bij de toiletruimtes.

Voor de nieuwsgierige lezer: onze minpuntjes zijn de hanen die de hele dag overal rondscharrelen en je de oren van het hoofd kraaien. Maar ja, dit is een boerencamping.    

maandag 4 juli 2022

De trein gemist

 

Drie woorden, dagelijks door menige Nederlander uitgesproken: de trein gemist.

Ik gebruikte het zinnetje vanaf mijn twaalfde jaar: elke dag moest ik vroeg uit de veren en de Stationslaan naar het station in Nunspeet aflopen om te zorgen dat ik de trein niet miste. De trein naar Harderwijk waar ik op de middelbare school zat. Het was steeds weer een avontuur om in die gele trein te stappen. Zelfs wanneer ik, om wat voor reden dan ook, de trein miste want dat kon je altijd aanvoeren bij een leraar: ’Ik heb de trein gemist.’ Of dat mijn eigen schuld of aan de NS te wijten was, zou niemand op het Nassau Veluwe college gaan achterhalen.

‘De trein gemist’ is ook de titel van de autobiografie van Josje Bosma. Josje woonde als twaalfjarige in Nijmegen en haar middelbare school, een vrijgemaakte gereformeerde, stond in Zwolle. Ik ken Josje heel goed want ze is de schoonmoeder van onze jongste dochter. Toen wij elkaar leerden kennen was het leuk om te merken dat we een zelfde soort verleden hebben met treinreizen naar school. Maar ’De trein gemist’ klonk voor haar nooit meer als een mooi alibi na dat vreselijke ongeluk in augustus 1979. ‘De trein gemist’ is het trauma van Josjes leven. Want haar vader miste op die bewuste dag in Arnhem de trein naar huis, nam een andere trein en kwam daarin om bij een vreselijk treinongeluk. ‘Vader van 7 kinderen omgekomen bij treinramp’ kopte het Nijmeegs Dagblad in 1979. Josje is dan dertien jaar en de middelste van het gezin.  Als haar vader die trein niet gemist had was haar leven heel anders gelopen.

‘Dit boek leest als een trein’, staat op de achterkant. Ik las dat met een wrang lachje toen ik het boek in handen kreeg, maar daarna las ik het in één ruk uit. Als u interesse hebt ga dan naar http://www.detreingemist.nl/, en zie hoe dit indrukwekkende boek in uw bezit kan komen.

Fijne vakantie!

maandag 27 juni 2022

Zoet of zout

 

Dit blogje gaat niet over drop, maar is geïnspireerd door dominee Terlouw uit de Westereen. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik met deze dominee getrouwd ben en vele Westereenders mogen zich gelukkig prijzen dat hij hun dominee is, want hij heeft altijd iets te vertellen. ‘Zijn spreken is te allen tijde aangenaam, niet zouteloos’. Zo ook gisteren.

Wij hadden ‘bevestiging nieuwe- en afscheid van oude ambtsdragers: ouderlingen en diakenen.’ Dus moesten er allerlei formulieren voorgelezen, het ja- woord luidop uitgesproken, geknield en ingezegend worden. Zowel de nieuwe als de afscheidnemende ambtsdragers kregen persoonlijk een Bijbeltekst. Kortom een lange zit. ‘Ik ga maar een korte preek maken’, zei Bernard vrijdag tegen me terwijl hij naar de studeerkamer ging om met de preek bezig te gaan. Na een half uur verscheen hij opnieuw uit zijn studeerkamer en vroeg: ’Waaraan denk jij als ik zeg: Wie zoet is …?’ Ik hoefde geen moment te denken: ’krijgt lekkers!’, lachte ik, ’maar dat is een Sinterklaasliedje, kan dat wel in de kerk? Bernard was niet uit het veld geslagen en zei: ’Toch ga ik de preek zo beginnen, want ik wil duidelijk maken dat er een groot verschil bestaat tussen Sinterklaas en Jezus. Sinterklaas wil dat we allemaal zoet zijn maar Jezus wil dat we zout zijn: ’Jullie zijn het zout der aarde.’ ‘Dat moet je dan wel praktisch maken’, zei ik en ik keek nieuwsgierig uit naar de dienst.

Dit blogje is te kort om de hele preek te plaatsen, ik noem nu alleen dat wat mij echt raakte: ‘Zout maakt verschil, zout was vroeger heel kostbaar omdat het bederfwerend is, het zuivert en maakt duurzaam.’ Vooral dat ‘bederfwerende’ kwam binnen bij mij. ‘Als ambtsdragers spreken we vaak samen over andere gemeente leden, dat hoort bij het ambt. Maar helaas leidt ‘spreken over’  heel makkelijk tot ‘roddelen over iemand.’ Op het moment dat zoiets gebeurt ben je als ambtsdrager werkelijk zout als je zegt: ’Zullen we stoppen om op deze manier te praten.’ Zo’n uitspraak vergt moed maar maakt alle verschil. Het is een zoute uitspraak die het bederf tegenhoudt 😊

maandag 20 juni 2022

Bijna 8 jaar

 

Halo, ik geef een feest, groetjes, Nynke.

waar: Radijsstraat 6 a

wanneer: woensdag 7 september

televoonnummer 0 6 3 4 1 0 4 2 9 3

 

Op 3 september wordt onze oudste kleindochter 8. En afgelopen week maakte ze een uitnodiging. Daar kun je op die leeftijd niet gauw genoeg mee beginnen. Het duurt nog bijna twee maanden, maar ze popelt van verlangen tot het zover is. Sinds kort krijgt ze zakgeld, dat hoort er allemaal bij als je bijna 8 bent. ‘Maar ik vergeet die euro steeds en daarom hebben we maar een rekening  voor haar geopend met een heuse pinas. Nu doe ik een automatische overschrijving’, vertelt onze dochter. Die is van het praktische en van de systematiek.

Als we in Groningen op bezoek zijn komt Nynke enthousiast met haar oranje ING kaartje aanzetten: ’Kijk opa en oma, ik heb een pinpas!’ Wij zijn in Groningen omdat het het mooiste weer van de wereld is en we besloten hebben om met onze kleindochters ergens in het Noorderplantsoen een ijsje te kopen. 'Dan betaal ik’, zegt Nynke heel opgetogen, ‘met mijn eigen pasje’. Zogezegd zo gedaan. Met zijn zessen gaan we op pad, mama met drie dochtertjes en opa en oma. Nynke loopt voorop met het pasje stevig in de hand. Bij de ijscowinkel slaat mij de schrik om het hart: de goedkoopste ijsjes zijn € 2.50. Eén blik naar Bernard is voldoende om hem vliegensvlug wat meer geld naar Nynkes rekening over te maken. Als we allemaal een ijsje hebben mag Nynke betalen. ‘Kan ik met een pinpas betalen?’, zegt ze alsof ze dat al heel vaak heeft gedaan. En vervolgens toetst ze met haar ene hand voor de andere geschermd, zodat niemand het kan zien, haar pincode in. ‘Uw pas is nog niet geactiveerd’, verschijnt op het scherm. Ze leest het hardop voor en barst bijna in tranen uit.

Maar opa weet raad: ’Dan ga ik dat meteen even voor jou doen’, zegt hij. Gelukkig werkt de ijscoman mee en als alle officiële verplichtingen vervuld zijn pint Nynke met succes. Groot worden is een heel proces…

maandag 13 juni 2022

Onzeker

 

Eerst op de fiets naar het station. Dat is niet moeilijk. Fiets gestald, ingecheckt en wachten maar. In het overdekte hokje zitten een paar jongens te lachen en te roken, dus ik blijf buiten staan. Het miezert een beetje.

‘PTHU’ lees ik op de zwarte rugzak van een dame in het zwart die naast me staat. Ik herken het logo en denk: die werkt vast op de Theologische Universiteit in Groningen. Zal ik het haar vragen? Maar dan komt er een gesprek en ik weet niet of ik dat wil. Ik ben zenuwachtig.

‘Werkt u in Groningen aan de theologische universiteit?”, het is eruit voor ik er erg in heb. Ik ben en blijf een spreker, ook al ga ik naar een schrijvers les. De vrouw heeft een fijn besneden gezichtje, vriendelijke ogen en roze lippenstift. Ze begint te stralen. Gelukkig. “Nog nooit heeft er iemand op het logo op mijn rugzak gereageerd, maar het klopt: ik was docent aan de  theologische universiteit”. “Was?”, vraag ik nieuwsgierig als ik ben. “Ja, want ik ben 72 en dan zijn de meeste mensen echt wel gestopt met werken”, lacht ze.

Ik had haar jonger ingeschat, spreek dat vervolgens uit waardoor de glimlach op dat smalle gezichtje nog groter wordt. De trein naar Leeuwarden komt er aan. Zij zegt dat ze op weg is naar het Fries museum in Leeuwarden, naar een tentoonstelling die haar interesse heeft. In de twintig minuten van de Westereen naar Leeuwarden leren we elkaar een beetje kennen en blijken we allerlei gezamenlijke kennissen te hebben. Als ze uitstapt zeg ik: ’Ik kan wel tot het Fries museum met je meelopen want ik moet ook die kant op.” Wat ik op vrijdagmiddag ga doen in de gevangenis, omgebouwd tot een bibliotheek, vertel ik niet. Dat durf ik niet.  

maandag 6 juni 2022

Letselschade

 

Een jaar geleden schreef ik over de blikschade aan onze Renault. Ik had mezelf klem gereden in de smalle ingang van de parkeergarage bij de Jumbo in Dokkum. ‘Krak’, klonk het. Juist toen ik met een vriendin na een geslaagde middag winkelen uit Dokkum wilde terugrijden. Er is nog altijd een flinke deuk zichtbaar. We hebben die deuk niet laten repareren. Het is maar een auto en die auto was een tweedehands koopje.

‘Pas op Margriet!’, riep een andere vriendin toen ik meer dan twintig jaar geleden met haar over de Grote Markt in Groningen fietste. Zij zag hoe ik op die fiets onderuit ging en met een smak op de grond belandde. Ik zelf weet daar helemaal niks van. Het gebeurde op een zaterdagmiddag, ik werd de dinsdag erna wakker in het Academisch Ziekenhuis. Een geluk bij een ongeluk dat ik bijna op de stoep van dat ziekenhuis dat ongeluk kreeg. Mijn vriendin, zelf arts, deed mond op mond beademing en dat werd snel overgenomen door ambulance personeel. ‘Ze heeft een zware hersenbeschadiging’ vertelde de neuroloog aan Bernard. Ik heb het geweten de jaren erna, het duurde minstens zes jaar voor ik een beetje normaal kon functioneren. Inmiddels ben ik er aan gewend dat ik mijn leven op een bepaalde manier moet inrichten. Dat ‘NAH’, Niet Aangeboren Hersenletsel, is er nog steeds, het is alleen niet zichtbaar. Maar ik merk met het ouder worden -ik werd onlangs 64- dat het me meer parten gaat spelen.

Onze auto hebben we niet laten repareren, die is daar te oud voor. Mijn hersenen kunnen niet gerepareerd worden en daar zal ik mee moeten leven. Bernard schreef erover in ons kerkblad. Maar net zoals ieder ander mens met een beperking hoop ik van harte dat mensen me nog steeds voor vol aanzien.