maandag 11 december 2017

Insjallah

“Horen ‘waarom’ en ‘daarom’ bij elkaar?” vraagt ‘mijn Somalische leerling’ voor we met de taalles beginnen. Mooie aanleiding om haar het verband uit te leggen tussen oorzaak en gevolg. “Dus ‘want’ is hetzelfde als ‘omdat’ ”, oppert ze na mijn uitleg. Ik ben voldaan: ze heeft het begrepen. Denk ik. 

Daarna lezen we het verhaal “Tom valt van de step”. De afbeeldingen in het boekje maken de uitleg makkelijk: bijna op elke bladzijde staat een step getekend. “Tegenwoordig krijgen kinderen al heel jong een fiets, vroeger begonnen ze met een step”, maak ik duidelijk. Ze leest verder over Tom die met zijn hond en zijn vriend gaat steppen. Tot het moment dat Tom van de step valt en stil op de grond blijft liggen. Een dramatisch verhaal met als vraag en rode draad: ”Waarom viel Tom van de step?” Ik laat haar stoppen met lezen bij de bladzijde waar het antwoord staat en zeg: “Je hebt het net gelezen, dus het is niet moeilijk.” Maar ik zie in haar ogen alleen maar vraagtekens: Hoezo, waarom? “Ja”, zegt ze, “Tom viel van de step.” “Klopt”, antwoord ik:” maar hoe kwam dat?” Weer vragende ogen. Ze staart naar het plaatje en heeft geen idee waarom ik die vraag stel. We hebben net gelezen dat Tom vergeten was zijn dagelijkse medicijnen in te nemen waardoor hij in zijn hoofd niet goed was geworden. Maar het verband met Toms val van de step ontgaat haar volledig en ik voel me verre van voldaan. 

En dan opeens valt het muntje: De oorzaak en gevolg vraag is een vraag die bij onze Nederlandse cultuur hoort maar die in haar cultuur geen enkele rol speelt. “Jullie zeggen altijd ‘insjallah’ (=zo God wil) bij alles wat er gebeurt he?”, vraag ik. “Ja”, zegt ze met stralende ogen: “Daarom!” 

maandag 4 december 2017

Hip

‘Taal is echt mijn ding’, daarom meldde ik me aan het begin van het nieuwe seizoen aan bij het ‘Digitaalhuis’ van de openbare bibliotheek. Eén keer per week geef ik daar nu taalles aan een Somalische. We hebben inmiddels een vaste routine: eerst leest ze hardop een verhaaltje, waarbij we na elke bladzijde even stoppen en ik vragen stel. Daarna komt als toetje het samen doorbladeren van een tijdschrift naar haar keuze. 

Het voorlezen van het verhaaltje gaat steeds beter. Ze geniet ervan als ik haar prijs en haar leer om ‘echt Nederlands’ te spreken. Dus niet elke keer als ze het lidwoord ‘een’ tegenkomt dat uitspreken als ‘één’, maar ‘un’ zeggen. Heel simpel, maar best moeilijk. Vorige week las ze het verhaaltje ‘Suus is hip’, over een meisje dat van haar moeder een zelfgemaakte jas krijgt en die jas niet aan wil omdat ze hem niet hip vindt. Goed leesbaar verhaaltje met één moeilijk woord: ‘hip’. Wat is in de vredesnaam ‘hip’? Zij had er nog nooit van gehoord en ik wist niet hoe ik het uit moest uitleggen. In zo’n geval pakken we het Somalisch-Nederlands woordenboek. Ik zoek dan het Nederlandse woord op en zij leest de Somalische betekenis voor. Zo ook in dit geval: Hip= “Kalmad soo ifbaxday amalagu istic maali jiray jiil cusub oo dhalinyaro ah oo soo baxay sanadadii.” Tja. Ik vroeg: “Wat betekent die lange zin?” Zij kon het niet uitleggen in het Nederlands. En zo weet ze nog steeds niet wat hip is, want ook het woord ‘modern’ is onbekend voor haar.

Thuis zocht ik naar een vertaling van die Somalische zin. Dat leverde dit op: “Het woord werd gebruikt door een jonge generatie.”  Waarom ‘hip’ werd gebruikt stond er niet bij. Vreemd. Doen ze in Somalië niet aan ‘waarom-daarom’?

[Wordt vervolgd]


maandag 27 november 2017

Voorleeswedstrijd

Waarom ze het mij vroegen weet ik niet, feit is dat ik heel blij was met de vraag of ik jurylid wilde zijn van de jaarlijkse voorleeswedstrijd op de basisschool. Vier kinderen zouden mogen strijden om vier bekers, van klein naar groter tot grootst. Weken stond het genoteerd in mijn agenda, vorige week was het zover. Ik had me erop verheugd: kinderen die houden van voorlezen hebben bij mij een streepje voor. Twee jongens en twee meisjes mochten afwisselend op de voorlees-troon een stukje lezen uit een door hen zelfgekozen boek. Naast mij waren er nog twee juryleden. Het publiek bestond uit een paar groepen kinderen met veel gegiechel en aanmoedigingen. De vier kandidaten zaten stilletjes op een rijtje met hun boeken in de hand geklemd.

Ik kon mijn ogen niet van hen afhouden, een paar herkende ik uit het dorp, ik deed zelf vroeger ook wel eens mee en kon het gevoel nog helemaal thuisbrengen. Als jurylid moest ik op een heleboel punten letten, zoals ‘emotie’ en ‘verstaanbaarheid’. En dan tijdens het lezen aantekeningen maken. Maar dat lukte niet. Ik kon mijn ogen niet van die troon afhouden. Vier kinderen leverde vier totaal verschillende verhalen op. Het ene kind sprak heel bedachtzaam, het andere deed het in een sneltreinvaart. Het volgende kind bracht werkelijk spanning in het verhaal en het laatste verhaal leverde lachsalvo’s op. En daaruit moest de jury dus kiezen. “Onmogelijke opdracht”, bedacht ik toen wij ons even terugtrokken om te overleggen. In het gewone leven vergelijk je toch ook niet een voetbalverslaggever met een docent van de middelbare school, cabaretier of een nieuwsvoorlezer? 

Het meisje dat ons allemaal aan het lachen had gemaakt werd eerste, maar -heel terecht- kregen de anderen ook een beker, want alle vier waren ze goed geweest, op hun eigen terrein.




maandag 20 november 2017

Koffiekazerne

“Da’s zeker een groot verschil: leven in Nairobi en leven in de Westereen?”, soms vraagt iemand me dat. En mijn antwoord is altijd: ”Nee, hoor, want Westereenders lijken op Kenianen.” Als de vraagsteller dan zijn wenkbrauwen optrekt vertel ik waar die overeenkomst in bestaat: in de liefde voor een mooi gesprek.

In Kenia is dat tot een ware kunst verheven: samen praten doe je daar nooit kort, maar altijd lang en met veel omhaal en stembuigingen. Als mijn hulp Jacinta een vriendin aan de telefoon had, verstond ik haar stamtaal (het Luya) niet, maar kon ik aan de intonatie opmaken of het bericht goed of slecht was. Wij spraken samen Engels, en als ze goed op dreef was zei ze na elke zin ‘e-u-h’. Dat gaf mij altijd het gevoel dat ze helemaal in het gesprek opging. En dat kunnen Westereenders ook. Niet met ‘e-u-h’ maar wel met veel ‘leave's’ en stembuigingen. Ook hier klinkt het prachtig en ik ben blij dat ik het Fries kan verstaan. 

De elf jaar dat wij in Kenia woonden waren te kort om net zo volleerd in het voeren van een mooi gesprek te raken als een Keniaan, maar voldoende om er de smaak van te pakken te krijgen. En om die reden vind ik het  fijn dat er sinds kort in de Westereen een koffierestaurant is: de ‘Koffiekazerne’. In Nairobi komen mensen in het’ Javahouse’ samen om te koffiedrinken en eindeloos te praten (met veel ‘ehs’ en ‘nini’s’, een ander stopwoord). In de Westereen kan dat nu in de Koffiekazerne. Elke vrijdagmorgen van halftien tot twaalf is iedereen daar welkom voor een bakje koffie en een babbel. Ik was er al een paar keer en waande me bijna in Nairobi 😊

maandag 13 november 2017

Israël

“Een bezoek aan Israël voelde voor mij als thuiskomen”, vertelde iemand mij voordat we op het vliegtuig naar Tel Aviv stapten. Ik was benieuwd of het voor mij ook zo zou zijn. Het bleek heel anders uit te pakken.

Eenmaal geland duurde het uren voor we door de douane waren. Langzaam kroop de rij vooruit, om ons heen toeristen van over de hele wereld, hoorbaar aan veel verschillende talen. Daar tussen oude en jonge mannen in zwarte pakken met zwarte hoeden. Voor iemand uit bevindelijke kringen in Nederland misschien vertrouwd, voor mij eerder vervreemdend. Ik had nog nooit ‘sidelocks’ gezien en vroeg me af hoe lang het zou duren voordat zoiets aangegroeid is. De weg van Tel Aviv naar Jeruzalem is een prachtige snelweg, we zoefden door het landschap dat mij als een mengeling tussen Egypte en Kenia voorkwam. We zagen op de borden namen van steden en dorpen die ook in de bijbel te vinden zijn, maar moet je dat ‘thuiskomen’ noemen? De Via Dolorosa -de lijdensweg van Jezus dwars door Jeruzalem- bleek een straatje van drie meter breed met aan weerskanten alleen maar souvenirwinkeltjes. En bij de Klaagmuur werd ik hard achteruit geduwd omdat mijn schouders niet bedekt waren: ”Dit is heilige grond!” Alleen met een zwart kapmanteltje mocht ik verder lopen.

In Galilea, waar wij vlak bij het meer op een huis moesten passen, veranderde er iets. Er lag een boek met Psalmen opengeslagen bij Psalm 119 en mijn oog viel op vers 134:”Maak mij vrij van het dwingen der mensen opdat ik uw opdrachten nakom.” Door die regels was er opeens zoiets als thuiskomen. Want ‘Psalmversjes’ moest ik al op de lagere school uit het hoofd leren. Spontaan welde een gebed in me op: ”Dank U Vader dat ook ik -als niet-Jood- uw woord mag kennen.
    

 


maandag 6 november 2017

Genieten

"Geniet er maar van". Hoe vaak heb ik dat niet gehoord de laatste weken? Vakantie houden betekent uitrusten voor veel mensen. Maar onze 'vakantie' in Israël zou anders worden, want wij waren gevraagd om op iemands huis en planten en dieren te passen. Voor een paar dagen weliswaar, maar toch. Van te voren kregen we per e-mail uit Israël instructie over het hoe en wat:

"Aan de zijkant van de winterkamer buiten zit de kraan: de groene slang is voor de tuin op het niveau van het bovenhuis, de gestreepte slang voor het plaatsje en zijkant onderhuis tuin met de palmen (onder het hekje doorkruipen) de tuin naast de trappen van de grot en het nieuwe tuintje naast het hek van het toegangspoort naar de grot. Voor de ondertuin een aparte slang. Kraan zit onder het betonnen balkon tegen een pilaar. Voor de planten aan het achterstraatje: slang halverwege het straatje aan de rotsen, bedient ook de planten op de trappen omhoog en de begoniatafel op het plaatsje voor het WC hokje.
Voor Maurice' landje aan de oostzijde van het huis, langgerekte stuk: een aparte slang.

"Gemiddeld ben ik twee uur per dag met de planten bezig", aldus de bezitter van al die slangen. "Hoe gaan we dat doen?", vroeg ik Bernard onderweg van Jeruzalem naar Galilea. Bernard is niet zo van de planten, dus ik zag al helemaal voor me waar het op uit zou draaien. Aangekomen bij het huis op de berghelling bleek het artistiek, oosters/Europees, met veel kamers en veel boeken. Die boeken trokken me, de waterslangen niet. En wat gebeurde er toen? Geloof het of niet: het ging regenen. Wel drie dagen lang. (Onderbroken door af en toe zon.) Ik heb geen slang aangeraakt en drie dagen zitten lezen met een geweldig uitzicht op de bergen. Toch genoten dus.  

maandag 30 oktober 2017

Een Bedoeïene-jongen

Na drie dagen sightseeing in Jeruzalem stappen we in de auto richting Dode Zee, naar Qumran. Want daar begon in 1947 in de grotten van het woestijngebergte een ander sprookje. Het sprookje van de Bedoeïene-jongen die eeuwen oude kruiken vond met Hebreeuws beschreven boekrollen: de "Dode Zee rollen. De rollen waren verouderd, maar de tekst  was in tweeduizend jaar niet veranderd. Jeruzalem en omgeving wel. Toen stonden er geen urenlange files rond de muren van Jeruzalem (twee uur precies duurde die van ons). Om maar niet te spreken van luxe touringcar bussen met airco. Die files en die bussen hadden mij afgeleid en het bijna onmogelijk gemaakt om het beeld van de gekruisigde Heer op mijn netvlies te krijgen. Er was een  Bedoeïene-jongen in Qumran voor nodig om dat beeld te herstellen. 

Als meisje van tien jaar mocht ik ooit op school een spreekbeurt houden over de "Dode Zee rollen". Wat was ik verguld  geweest met het piepkleine miniatuurkruikje (met nog kleinere namaak rolletjes) van mijn vader. Voor de klas mocht ik voordoen hoe je dat doet: een boekrol uitrollen. Vijftig jaar later ben ik op de plek waar die jongen de echte kruiken vond. Weliswaar blijkt ook deze plek, net als Jeruzalem, in een toeristische attractie te zijn veranderd. Maar de meeste touringcars maken hier alleen een korte stop: het is te heet (veertig graden als wij er rondlopen) en te verlaten. Simpelweg te veel woestijn. Maar hier, in de woestijn, begon het evangelie van Jezus met Johannes de Doper die uitriep: "Bekeert u en gehoorzaam de Messias die na mij komt."

Als die Bedoeïene-jongen die rollen in 1947 niet had gevonden waren wij nu waarschijnlijk niet naar deze plek in de woestijn gegaan, die voor mij heiliger aanvoelde dan alle "heilige" plekken te Jeruzalem bij elkaar.  


zondag 22 oktober 2017

Er was eens

Er was eens een vrouw die het beste te benoemen is als ‘huismus’. Ze was het liefst in haar eigen huis, sliep het liefst in haar eigen bed, zat het liefst achter haar eigen bureau. Maar deze vrouw ontmoette op een goede dag (die ze later als de beste van haar leven zou bestempelen) een man die allesbehalve huismus was. Deze man hield van reizen. “Zullen we samen op vakantie gaan naar Italië?”, stelde hij voor. De vrouw was gewend om op vakantie in het vakantiehuisje van haar ouders Friesland te bivakkeren. Italië klonk als het andere eind van de wereld, maar de liefde voor die man was zo groot dat ze meeging. 

De man en de vrouw trouwden en kregen een gezin. De vrouw dacht dat de reislust van de man tot bedaren zou komen toen er kinderen kwamen, maar niets was minder waar. Toen hij werd gevraagd om in Kenia te gaan werken vroeg hij haar opnieuw of ze mee wilde gaan. Aan de glans in zijn ogen zag ze dat hij het besluit al had genomen en ze zei opnieuw: ”Ja, ik wil”. 

Samen reisden ze vanuit Kenia naar Oeganda en Soedan en Tanzania en Egypte en Australië en Papoea Nieuw Guinea. En toen settelden ze zich weer in Nederland. Eerst in het midden van het land en later in Friesland. De vrouw was daar waar ze altijd al het liefst was. En ze genoot van haar eigen huis met haar eigen bed en haar eigen bureau. Op een dag werden ze samen gevraagd: ”Willen jullie wel op ons huis in Israël passen?” De ogen van de man begonnen te glanzen. En de vrouw wist wat haar te doen stond: koffers in pakken, naar Schiphol rijden en in het vliegtuig stappen.

(Wordt vervolgd vanuit Israël)


maandag 16 oktober 2017

Tandarts

Verhuizen van plek A naar plek B brengt verandering van tandarts mee. De tandartsen die zich op mijn gebit uitgeleefd hebben wonen respectievelijk in Nunspeet, Hoogeveen, Groningen, Dokkum, Zeist, Nairobi en Leusden. In de Westereen zou er weer een nieuwe aan het rijtje worden toegevoegd, maar hoe kies je een tandarts? Uit ervaring weet ik dat de meeste mensen hun eigen tandarts de beste vinden.

“Ik weet een goede tandarts in Dokkum”, vertelde een vriendin in Leusden me, “want mijn zus is met hem getrouwd”. “Laten we die maar nemen”, zei ik tegen Bernard: ”Dat is dan weer een zorg minder.” Ik belde, maakte een afspraak, reed naar Dokkum, maar kwam van een koude kermis thuis: “Eerst moeten we foto’s maken, dan gaan we jouw gebit stukje bij beetje repareren, want er moet heel wat gebeuren.” En dat terwijl ik helemaal geen klachten had maar alleen graag één tand een beetje wilde laten verbreden. Op dat moment woonden we tegenover een tandarts in de Westereen. Vanuit ons raam zag ik mensen komen en gaan en ik werd erdoor aangestoken. “Ik ga gewoon ook”, bedacht ik, “voor een second opinion.” 

De wachtkamer was gedateerd, maar de behandelkamer een complete verrassing: in plaats van één stonden er drie behandelstoelen. Vier assistentes liepen van de ene naar de andere stoel. De tandarts gaf hen als een soort bedrijfsleider instructies en behandelde af en toe iemand. “Ik leid al mijn assistentes zelf op”, zei hij terwijl hij mijn gebit bekeek. “Wat kan ik voor u doen?”

Het is nu meer dan een jaar later en deze tandarts in de Westereen is aan het bovenstaande rijtje toegevoegd. Nooit eerder was het bezoek aan een tandarts zo gezellig en nooit eerder had ik het gevoel als ‘mens’ en niet alleen als ‘gebit’ behandeld te worden.

maandag 9 oktober 2017

Hoor de wind...

’t Duurt nog bijna twee maanden, maar de pepernoten liggen al volop in de winkels: Sinterklaas wordt in Nederland ingenomen door de commercie. Afgelopen zaterdag deed ook het weer een duit in het zakje, want de wind waaide de hele dag en nacht door de bomen en -voor mijn gevoel- zelfs in huis. Als het heerlijk avondje nu gekomen was hadden we gezellig bij de palletkachel gezeten, maar 5 december is nog bijna twee maanden te gaan. 

Ik moest er die zaterdag op uit want ik had met iemand een afspraak om vier uur. Het was een eindje buiten het dorp en ik zou lopend of op de fiets moeten want Bernard was de hele dag weg met de auto. Ik hoorde de wind en de regen en kreeg met elk uur dat verstreek minder zin: Als ik de afspraak zou verzetten zou het lijken alsof ik niet tegen een stootje wind kan. Maar zelfs op mijn e-bike zou ik daar als een verzopen kat aankomen. Dat laatste was dus wat er gebeurde.

Maar tijdens mijn ritje op de heenreis op de e-bike had de wind zo hard gewaaid dat er eigenlijk geen trapondersteuning meer nodig was. Alsof ik ernaartoe geblazen werd. Op de terugweg regende het nog steeds, was de wind tegen en kwam de e-bike dus goed van pas. Maar ik was een mooi gesprek rijker en ook een inzicht: wanneer de wind van de Heilige Geest je een bepaalde richting opduwt mag je je nooit verzetten: ”Als je oren hebt, hóór dan wat de Geest tot de gemeenten zegt”, staat zeven keer in Openbaring. De Heilige Geest is een kracht die mensen in beweging wil brengen: “Gaat dan heen!”, waren Jezus laatste woorden.

Lekker droog thuis blijven zou deze keer letterlijk zonde geweest zijn.    


maandag 2 oktober 2017

Later

Nynke, ons oudste kleinkind, was twee dagen en één nachtje bij ons. Het was geweldig. Zowel voor ons, als voor haar. Bernard is ‘opa Ben’ en ik ben ‘oma Margriet’. Ze vergiste zich een keertje en riep naar mij, terwijl ik in de keuken bezig was: ”Mama!” Ik kwam aanrennen en zei: ”Ik ben oma hoor, niet mama”. ”Nu ben je wel even mama”, was haar response. Ik begreep wat ze bedoelde, maar ze vergistte zich de komende dagen niet meer. Want ‘opa en oma’ zijn voor haar fascinerende wezens. Daar heeft ze er heel veel van, want ook allerlei overgrootouders leven nog: In Duitsland, Engeland, Kenia en Nederland. Wij wonen het dichtstbij, dus ons ziet ze het vaakst. Na die twee dagen onlangs zei ze tegen haar moeder toen ze weer thuis was:” "Als ik later een mevrouw ben en ik zoek een papa dan word jij de oma!" Dat was maar een mooi vooruitzicht voor haar moeder. 

Ik vind het natuurlijk prachtig om oma te zijn, het heeft alleen één nadeel: ‘later als ik groot ben’ is er niet meer. Want ik ben nu groot, groter dan Nynke zich kan voorstellen. Als je drie jaar bent ligt er nog heel veel ‘later’ voor je. Ook bij tien, twintig en zelfs dertig jaar is er nog later. Maar zo na je veertigste verandert dat. Ik spreek uit ervaring. Ik leef soms meer op herinneringen aan vroeger dan dat ik denk aan ‘later’. En dat is jammer. Heel jammer. Want een mens leeft (op) van (mooie) verwachtingen van de toekomst. Om die reden ben ik blij dat dit in de bijbel staat: “Mijn plan met jullie staat vast - spreekt de Heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: Ik zal je een hoopvolle toekomst geven.” (Jeremia 29:11)