maandag 10 juni 2019

Workaholic


Gisteren was het eindelijk zover en liepen we over het terrein van de Bonifatiuskapel. De kapel was omgetoverd tot een theater waar “Titus, leven tussen stilte en stress” werd opgevoerd. Toneel, zang en dans over de beroemde katholieke, Fries, Titus Brandsma. Vanwege de tragische afloop van zijn leven in Dachau in 1942 spreekt hij anno 2019 nog steeds tot de verbeelding. Tijdens zijn leven was hij in Nederland bekend, zowel binnen als buiten katholieke kringen. Want hij publiceerde wekelijks artikelen over allerhande onderwerpen. Hij had een brede visie op het leven maar het fundament van alles was zijn rotsvast geloof in Jezus Christus.

Wij waren onder de indruk, van alles: de acteur die Titus speelde, de twee acteurs die -soms al zingende-vertelden. De ene beeldde “God” uit, de andere de “duivel”. In het verleden gebeurde dat heel vaak zo, net als overigens in het Bijbelboek Job: God en de duivel die met elkaar in gesprek zijn. Voor toehoorders (of lezers) ontstaat zo automatisch de vraag: Hoe denk ik eigenlijk zelf over bepaalde zaken?

Weer thuis lees ik de recensies. In één van hen wordt Titus Brandsma als een ‘workaholic’ beschreven. Dat woord heeft een negatieve klank. En die recensie raakt mij op een negatieve manier. Want Titus Brandsma was niet een workaholic: iemand die verslaafd is aan werk. Hij kreeg als ingetreden Karmeliet de naam Titus. Dat moet hem blij verrast hebben want zijn vader heette zo. Het is ook de naam van een Bijbelboek, ‘de brief van Paulus aan Titus’. Uit pure interesse lees ik dat Bijbelboek weer eens door. En wat me dan opvalt is verrassend: meer dan vijf keer wordt daar over ‘goede werken’ gesproken. “Blink daarin uit”, roept Paulus Titus toe. De Friese Titus heeft dat ongetwijfeld vaak gelezen en in zijn leven helemaal waargemaakt.  


maandag 3 juni 2019

Gods tuin (2)


Heb jij dat ook wel eens: dat je jezelf te moe voelt om zelfs maar uit bed te komen? Dat je overal tegenop ziet? Ontbijt klaarmaken, uitkiezen wat voor kleren je zult aantrekken, boodschappen doen, badkamer schoonmaken, kamer stofzuigen. Alleen al van het opschrijven word ik moe.

Wanneer ik me zo voel grijp ik altijd naar mijn lievelingsvers: ”Komt tot Mij allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.” Toch geweldig dat dit in de bijbel staat. Vermoeid zijn is dus niet typisch iets voor onze hectische 21 eeuw. Twintig eeuwen geleden hadden mensen daar ook al mee te kampen. En Jezus heeft oog voor ze. Hij ziet ook dat het om veel mensen gaat want hij spreekt over ‘allen’. Iedereen die vermoeid en belast is moet bij Hem komen. Maar waarom eigenlijk? Wat heeft Hij te bieden aan uitgeputte mensen?

Ik peins erover en loop even door mijn tuin. Elke dag heeft die wel een verrassing voor me in petto, vandaag is dat een klein lichtblauw bloemetje dat vlak boven de grond uit een bolletje is gekomen. Ik was bijna vergeten dat ik het geplant had. “Kijk eens naar de bloemen,’ zegt Jezus ergens anders, “ze vermoeien zich niet met werk.” Ik ben alleen geen bloem, het enige wat zo’n bolletje hoeft te doen is rustig te blijven staan op de plek waar het geplant is.

Maar zou God, die blijkbaar dag en nacht aan het werk is geweest om dat tere fijne bloemetje uit dat bolletje te laten groeien, mij vergeten omdat ik geen bloem ben? Is mijn grootste valkuil misschien dat ik vaak vergeet dat het God Zelf is die het eigenlijke werk in mijn leven doet? Met een onzichtbare hand maakt Hij er toch steeds iets heel moois van?

  


maandag 27 mei 2019

De tuin van God


Ik houd van de zomer en die is bijna aangebroken. Wakker worden van het zonlicht, lange lichte avonden, studeren op mijn eigen kamertje boven (in de winter is het daar te koud), zonder jas naar buiten en ‘last but not least’: werken in de tuin. Daar krijg ik eigenlijk nooit genoeg van. Aan poetsen in huis heb ik een hekel, maar tuinieren is een hobby. In de Westereen deel ik die hobby met het halve dorp, de ene tuin is al mooier dan de andere.

Vanavond heb ik ‘Ipoemia Knowlians’ geplant. Tegen de schutting. Gekregen van een gemeente lid. Hij had deze zelf bij een kwekerij gekocht: “Hele mooie plant, ik kan de naam alleen niet onthouden.” Daarom gaf hij me er een kaartje met naam bij. In het Nederlands heet ie ‘Klimmende winde’. Ziet er inderdaad veelbelovend uit op internet. En nu de temperatuur eindelijk aan het stijgen is heb ik grote verwachtingen.

Dat is misschien wel de reden waarom ik tuinieren zo leuk vind: je spit wat rond, zaait en plant, begiet een beetje, geeft wat mest, snoeit wat bij en dan is het afwachten. Want God doet het eigenlijke werk. Maar toch ook weer niet: ik werk met Hem mee. Hij laat alles groeien en ik zorg ervoor dat de randvoorwaarden op orde zijn. Werken in de gemeente lijkt er eigenlijk op: je spit wat rond, zaait en plant, begiet een beetje, geeft wat mest en snoeit wat bij en dan is het afwachten. Zullen er mensen gaan groeien en bloeien in Jezus? Zullen ze standhouden als het weer niet meezit? Zal de gemeente zich gaan uitbreiden? En zal er nieuwe jonge aanwas bijkomen?

Het is fantastisch om te zien dat dat inderdaad gebeurt: er groeit en bloeit veel moois in onze gemeente.


maandag 20 mei 2019

Lekker ite


Ik loop de afhaal Chinees in Dokkum binnen en haal opgelucht adem: er zijn geen wachtenden voor me. Maar omdat de koks ons lievelingsgerecht, Chinese nasi met garnalen, niet vaak maken moet ik toch wachten. Ik vang een gesprek op: ‘Ja, ze was zomaar dood, niemand had het gemerkt, de thuiszorg ook niet.’ ‘Tjonge, dat is wel erg, maar aan de andere kant, ze was 85 en zo plotseling lijkt mij eigenlijk wel een mooie dood. Nou, lekker ite he!’ ‘Ja, jullie ook!’

Een mooie dood: bestaat dat? Is de dood mooi? Ik sta bij die Chinees omdat er vanmiddag een begrafenis in ons dorp was en er weinig tijd overbleef om te koken. De overledene was 80, vader en opa. Zijn kleinkinderen spraken voor een volle kerk. Onder veel tranen. ‘Doodgaan is niet leuk’, zingen Elly en Rikkert. Maar het is het enige waar alle mensen ter wereld, man of vrouw, rijk of arm, blank of zwart gelijk in zijn. Allemaal gaan we een keer dood. Dan stopt ons leven. Dan houdt alles op waar we ons nu druk of blij of bezorgd over maken.

En dan? Is dat het laatste wat er over ons te zeggen valt? We leven een tijd of een tijdje op aarde en dan houdt het op? Deze maand overleden twee vrouwen die ‘maar’ 37 jaar werden: Kinga Ban en Rachel Held Evans. Een zangeres en een schrijfster. Beide leefden niet met ‘Laten wij eten en drinken en vrolijk zijn want morgen sterven we.’ Het was eerder het tegenovergestelde. Zij beseften dat leven met Jezus sterven aan jezelf inhoudt en dat dat geen verlies, maar winst is.

 ‘Laten wij sterven met Jezus, want misschien is het morgen al zover dat we mogen opstaan om voor eeuwig met Hem aan tafel te gaan’



maandag 13 mei 2019

Andere blik


Na een week in de caravan brak de dag aan dat ik langer dan een kwartier naar buiten kon. Want de lucht toonde niets onheilspellendst. ‘Ik ga even naar de receptie onze koelelementen verwisselen’. Bernard bleef binnen. Vlak bij de receptie viel mijn oog op iets dat eerder aan me voorbijgegaan was: het begin van een smal wandelpad rechtstreeks het bos in. Dit was mijn kans. Mijn enige want vandaag was onze laatste dag in Gaasterland. Van tevoren had ik me ontzettend verheugd op de bossen. Welgeteld twee fietstochtjes hadden we gemaakt. Vanuit de auto had al dat frisse ontluikende groen me toegefluisterd: ’Kom wandelen in dit paradijselijke oord’. Bernard zou me niet missen als ik ietsje langer wegbleef. Het pad liep vlak langs de camping. De stacaravans waar ik meerdere keren langs was gelopen waren nu van achteren te zien. En tussen de caravans door ving je een glimp van de camping op. De rij stacaravans hield op, het pad ging verder de Gaasterlander bossen in. Nog eventjes een klein eindje, besloot ik. Lichtgroene varens, ritselende vogels, vakantiehuisjes nog net niet helemaal verscholen tussen de kleine lenteblaadjes. Het kwartier werd een half uur. Ik wilde dat ik uren door zou kunnen gaan. Maar dan zou Bernard me echt missen. Dus toch maar een keertje afslaan zodat ik in elk geval niet verder van de camping afdwaalde. In de verte zag ik de dijk langs het IJsselmeer. Verdwalen is niet mogelijk hier. Ik passeerde meerdere campings met vaste stacaravans en droomde van een eigen huisje in Gaasterland. En toen zag ik het: een kleine Kip caravan met lichtbruine safari-achtige voortent op een groen veldje midden in het bos. ‘Die mensen hebben het getroffen met hun plek’, schoot door me heen.

‘Mooi gewandeld? ’, vroeg Bernard. ‘Wij boffen’, lachte ik.


maandag 6 mei 2019

Koelkast


‘Wat staat altijd bij jou in de koelkast?’ Het is 8 uur s’ morgens en ik open in onze Kip een nieuw pakje Pickwick thee met labeltjes. Die Pickwickthee had ik voor Gaasterland bewaard. In de vakantie is het leuk om samen over die vragen te mijmeren. ‘’Pickwick wil het zout nog even in de wond wrijven’, mompel ik richting Bernard. In het koelkastje van onze Kip staat namelijk helemaal niks. Simpelweg omdat het niet meer doet waar het zijn naam aan te danken heeft.

Dus waren we vertrokken met twee gevulde koelboxen en een stapeltje koelelementen. ‘Vroeger hadden we op de camping een hele grote diepvries waar iedereen elke morgen zijn koelelementen kwam verwisselen’, vertelde de campinghoudster, ‘maar nu hebben mensen hun eigen koelkastjes’. Wij niet dus. Wat we ook niet hebben is zon. Daarom zitten we de meeste tijd achter de raampjes van de Kip naar buiten te koekeloeren terwijl de regen gezellig op het dak tikt.

Terwijl ik over de vlakte van een bijna lege camping staar (wie gaat er met dit weer op vakantie?) komen herinneringen van vroeger naar boven. Mijn ouders hadden een vakantiehuisje in Oosterlittens. Daar was nog meer niet dan hier: geen stromend water, geen elektriciteit, geen toilet binnenshuis. Het vakantiehuisje was zelfs alleen bereikbaar via het water. Ik zie mezelf nog liggen met mijn zusjes op de zolder, onder een enorme stapel dekens. Boven was uiteraard geen verwarming. Het enige houtkacheltje stond in de kleine kamer waar mijn ouders in de bedstee sliepen. Het was daar allemaal gewoon ons eigen ‘Kleine huis op de prairie.’ ‘Less is more’, noemen ze dat tegenwoordig.

‘Niks in de koelkast' is niet een antwoord dat Pickwick verwacht  maar met een temperatuur die niet onderdoet voor een koelkast hebben we zelfs geen koelbox nodig.







maandag 29 april 2019

Oudemirdum


-Supermooie dag gehad in Lissabon!

-Genieten in Barcelona!

-Op naar Bali!

De zinnetjes worden steeds kleiner maar de vakantieoorden exotischer als ik de foto’s op de Facebookpagina’s van vrienden en bekenden mag geloven. Nooit geweten dat Friezen zo reislustig zijn. Voor veel oudere dames in de Westereen -dan heb ik het over 80+- is een busreis naar Italië een standaard jaarlijks uitje. Jongere Westereenders gaan backpacken: Australië, Azië, China: alles in één ademtocht. Bali wordt gewoon even meegepakt. Want de hele wereld ligt binnen handbereik tegenwoordig. Zelfs tieners en middelbare scholieren kunnen zich al gauw (na bijvoorbeeld een tijdje hard werken in de supermarkt) een verre reis veroorloven. En ver weg is gewild: want ver is buiten Friesland en spannend en nieuw.

In februari gaven Bernard en ik ook even toe aan die horizon verbreding: Mallorca mag voor een backpacker een lachertje zijn, voor ons was het exotisch en zonnig en om dat laatste was het ons vooral te doen. Maar nu het ook in Friesland elke dag zonniger en groener en mooier wordt hoef ik niet meer ver weg. Eigenlijk hoef ik helemaal niet weg want onze achtertuin is een botanisch avontuur op zichzelf. Maar ‘er even uit’ schijnt goed te zijn voor lichaam en ziel en dus hebben we de Kip van stal gehaald, schoongemaakt, ingeruimd en vastgekoppeld en zijn we op weg gegaan: helemaal naar Oudemirdum in Gaasterland. Gaasterland ligt niet over de grens, zelfs niet over de grens tussen Holland en Friesland. Het is de bosrijke omgeving in Zuidwest Friesland. Voor ons op het moment dat ik dit schrijf trouwens alleen van horen zeggen. Want wij zijn er nog nooit geweest.

-We zijn benieuwd!

Dat wordt mijn zinnetje op Facebook. 


maandag 22 april 2019

Trauma


“Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: ”Ik wens jullie vrede!” Na deze woorden toonde hij hen zijn handen en zijn zijde.”

In drie zinnen legt Johannes het Paasevangelie uit en ook Goede Vrijdag ligt erin besloten. De laatste twee zinnen is waar het allemaal om draait: ”Ik wens jullie vrede!” Na deze woorden toonde hij hen zijn handen en zijn zijde.”

De opgestane Heer komt bij mensen die hem drie jaar lang gevolgd waren, die zijn handen aan het werk gezien hadden: breken van brood, aanraken van zieken, zegenen van kinderen, opheffen naar de hemel als een gebed tot zijn Vader, uitnodigend uitstrekken als een welkom gebaar. Handen zijn het meest kostbare instrument van een menselijk lichaam. Maar die handen waren doorboord geweest met spijkers en verscheurd aan een kruis. Een aantal van die leerlingen had met eigen ogen gezien hoe Jezus aan dat kruis gestorven was. En hun leven was één groot vraagteken geworden: waarom?

”Ik wens jullie vrede!” Na deze woorden toonde hij hen zijn handen en zijn zijde.” De spijkers waren weggehaald, de wonden zichtbaar en Jezus wilde dat zij die zagen. Het verscheurend lijden was voorbij, een trauma (wond) achtergebleven. Jezus’ trauma betekent vergeving en vrede voor zijn leerlingen en ook voor ons. Waarom kan God niet zomaar vergeven en is er een hele lijdensweg voor nodig? Met zijn verwonde handen geeft Jezus het antwoord, alsof hij zegt: Kijk, ik heb jullie afwijzing en haat helemaal op me genomen, het heeft een trauma achtergelaten. Maar ik strek mijn handen nog steeds uit als een welkom gebaar want ik wil niets liever dan in jullie midden zijn.


maandag 15 april 2019

Kwaad gerucht


Jaren geleden deed een oude predikant de ronde in zijn gemeente. Hij kende iedereen: de vromen, de minder vromen, de randkerkelijken, oud en jong. Zijn eerste bezoek was bij een oude vrouw. Zeer vroom, miste nooit de kerkgang, deed altijd ruim in de collectezak. Ze schonk de dominee een kopje koffie in, ging zitten en stak van wal: ”Dominee, er moet mij iets van het hart, ik ben toch zo verschrikkelijk zondig.” Ze nipte aan haar kopje en keek hem aan met een bedeesde blik. Hij raakte de koffie niet aan, ging staan en knikte eenstemmig: ”Ja, dat heb ik ook gehoord.” Waarop zij bijna haar kopje omgooide en met nauwelijks genoeg adem fluisterde: ”O ja? Van wie??” 

“Zonde” is een woord dat thuishoort in een gedegen preek. In het gewone leven gebruiken we het als er een kopje stukvalt: “Zonde!” Die oude vrouw was in theorie graag heel zondig. Om als grote zondares bij iedereen te boek te staan was een heel ander verhaal. Maar laat dat nu het verhaal van de bijbel zijn. Die dominee kende zijn bijbel. Hij had het niet van een gemeentelid gehoord, maar wel van Paulus: ”Want álle mensen doen verkeerde dingen en daardoor leeft niemand dicht bij God.” Alle mensen in de wereld zijn als stukgevallen kopjes. Niemand voldoet aan het prachtige oorspronkelijke plan van God met de mensheid. Jammer. Heel jammer. Maar Paulus gaat verder: ”Maar God vergeeft de zonden van iedereen die gelooft in Jezus Christus. Zo goed wil God voor ons zijn.” (Romeinen 3)

Daarom mag niemand meer prat gaan op zijn ‘grote zonden’ en moeten we ophouden kwade geruchten over elkaar (s zonden) te verspreiden. Het is namelijk pas echt zonde -heel jammer- wanneer Jezus Christus, onze  Grote Verlosser niet alle eer en dankbaarheid krijgt.


maandag 8 april 2019

Toeval


Gesprek dat begint onder vier ogen, zij komt af en toe in de kerk: ”Mijn man houdt mij niet tegen maar gelooft zelf niet echt meer.” Wanneer hij bij ons komt zitten is het einde gesprek onder vier ogen. “U hebt niet zoveel met het geloof, zegt uw vrouw.” “Dat klopt.” Ik: ”Maar iemand gelooft toch altijd wel in iets?” Hij: ”Ik niet.” Ik: ”Maar hoe kan dat dan”? Hij: ”Ik geloof in het toeval.”

Daar sta je dan als afgezant van de kerk. Als afgezant van de Heer in wie je gelooft dat Hij leeft, dat Hij je leven leidt, dat Hij alles in zijn hand heeft, zowel het goede als kwade. “Dus het is toevallig dat deze vrouw jouw vrouw is.” Hij: ”Dat klopt. Ik: ”Dus ik had net zo goed met jou getrouwd kunnen zijn.” Hij: ”Ja.” (Totaal verbijsterde) ik:”Nou, ik ben blij dat ik met Bernard Terlouw ben getrouwd en dat is voor mij één van de grote bewijzen dat het leven inderdaad soms toeval mag lijken maar dat het bestuurd wordt door iemand Hoger en Groter. Stilte. “Mooi dat u het zo ziet, ik zie het anders.” 

Nog dagen daarna denk ik aan dit gesprek en overdenk ik het woord. “Toeval”: het valt je toe. Het overkomt je. De ontmoeting met Bernard Terlouw is mij overkomen. Ongepland, niet zelf bedacht, niet zelf geregeld. Maar intussen wel zeer bepalend voor de loop van mijn leven. Veel dingen die gebeuren worden door onszelf bepaald. Bernard en ik hebben een gezamenlijke agenda: planning is orde. Maar planning alleen is heel mager. Dat wat mij onverwacht toevalt is vaak het allermooiste. Dus eigenlijk geloof ik ook in toeval. Maar dan wel in toeval met een hoofdletter: Dat wat van hogerhand voor mij bedacht is en mij wordt aangereikt.

maandag 1 april 2019

Spiegeltje


Bernards oma is heel oud geworden, ver over de 90. Toen ze stierf woonden wij in Kenia, ver weg bij haar vandaan. Wij gingen in die tijd alleen in de zomervakantie naar Nederland. Daar bleken we verzekerd te zijn ‘in het geval van overlijden van een naast familielid’ en dus vlogen we ook in de herfst terug. Om oma de laatste eer te bewijzen.

Oma woonde ongeveer haar hele leven in Zeist. Wijzelf -voor het Kenia avontuur- ook een paar jaar. We arriveerden destijds in Zeist met één kind, de twee andere zijn daar geboren. Vaak ging ik even bij oma langs, met één kind op de fiets of met drie in de auto. Mooie herinneringen heb ik daaraan. “Moet je eens zien wat ik kreeg”, vertelde oma me een keer. Ze liet me een wit kartonnetje zien waarop in dikke zwarte letters Johannes 3:16 stond: ”Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft op dat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven heeft.” Onder die -overbekende- tekst stond in kleine letters: Aan de voorkant zie je van wie God zoveel houdt. “Draai het kaartje maar om”, zei oma met een lachje en toen keek ik recht in mijn eigen gezicht want de voorkant was een spiegeltje. “Mooi he?”, zei ze verrukt.

Oma was heel oud toen ze het schuchter tot zich door liet dringen: God houdt ook van mij. Hoe ouder een mens wordt, des te moeilijker het wellicht is om dat echt te geloven, want waarom zou God in de vredesnaam houden van onvolmaakte, vervelende, zeurderige mensen? De kerk van Jezus Christus bestaat als antwoord op die vraag: ”Vrede zij u!” sprak Jezus na zijn opstanding. En Hij toonde zijn leerlingen zijn doorboorde handen.