maandag 12 december 2022

Kerststress (2)

Ik ben opgevoed door een moeder die niet van koken houdt. Ze is nu 87 jaar en helemaal verrukt dat haar eten kant en klaar thuis wordt gebracht. Toen wij als vijf dochters nog thuis waren kookte mijn vader altijd in de zomervakanties in Frankrijk: ‘Om mama een beetje te ontlasten.’

Dus mocht mama van geluk spreken dat haar twee oudste dochters al jong interesse hadden in koken en kookboeken. ‘Wat vinden jullie ervan om samen dit jaar het kerstdiner verzorgen?’, vroeg ze begin december aan ons. Ik was dertien jaar, mijn zusje twaalf. Wij glunderden en gingen al plannen maken nog voor ze uitgesproken was. We mochten alles zelf bedenken, kregen alleen een bepaald bedrag. Dagen bladerden we in kookboeken, maakten we lijstjes en bezochten we supermarkten. ‘We doen iets speciaals’, zei mijn zusje, ‘iets wat we nog nooit eerder hebben gegeten.’

Om vijf uur ’s middags op eerste Kerstdag deden we de keukendeur op slot, niemand mocht ons op de vingers kijken. ‘Om zeven uur verwachten we jullie aan tafel’, zeiden we met ons hoofd om de deur. Om zes uur hadden we het meeste snijwerk verricht en kon het eigenlijke koken en bakken en braden beginnen. ‘Stooftijd twee en half uur’, las ik in het hele speciale recept en ik schrok. Dit gerecht zou pas om half negen klaar zijn. Ik stak mijn hoofd weer in de kamer en riep: ‘Het wordt ietsje later dan zeven uur hoor.’ ‘Geen probleem’, zei mama. Zowel mijn hoofd als dat van mijn zusje kwam nog drie keer vaker om die deur en de beloofde tijd werd steeds later. Om tien uur was het zover en kwamen wij met verhitte hoofden en plakkerige handen uit de keuken met het voorgerecht.

Onze kinderhersens waren nog niet volledig geprogrammeerd op vooruitdenken.

maandag 28 november 2022

De roe

‘Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe.’ Opgetogen zingen vele kinderstemmetjes dit deze laatste week voor Sinterklaas. Het zingt zo heerlijk weg samen: ‘wie stout is de roe’, maar ik vermoed dat er maar weinig kinderen  weten wat ze nu eigenlijk zingen. Ik zelf had destijds geen enkele voorstelling bij ‘de roe: ‘een geheel van bij elkaar gebonden takken gebruikt om iemand (als straf) slagen toe te brengen.’ (Wikipedia) Oef…

Nu zijn het echter niet alleen kinderen die momenteel, tot aan 5 december, uit volle borst over de roe zingen. Volwassen mensen die de kindertijd al lang achter zich hebben kunnen er ook wat van: de afgelopen weken werd er door miljoenen, als in een groot omroep koor, driftig geslagen met een (figuurlijke) roe richting Matthijs van Nieuwkerk, de bedenker en presentator van de Wereld Draait door. Matthijs verdient de roe vanwege zijn ongepast gedrag achter de schermen van de omroep. Een paar maanden geleden was er nog geen vuiltje aan de lucht voor hem als BN’er. Maar nu is hij een nationale zondebok, verguisd en geslagen met de roe. De Wereld draait door was altijd één van mijn favoriete talk shows, lekker vroeg op de avond. Terwijl ik het opschrijf besef ik dat de roe door deze ontboezeming ook voor mij op de loer ligt. Want iedere zichzelf respecterende Nederlander hoort nu tegen Matthijs van Nieuwkerk te zijn.

Ik heb nooit achter de schermen van het werk van Matthijs kunnen kijken. En de vele miljoenen die de roe hem nu toezingen ook niet. Waar komt die drang om dat toch te doen toch vandaan? Waarom niet eerst wachten op een echt eerlijk onderzoek? En wat die schermen betreft: laat iedereen eerst achter zijn eigen schermen kijken hoe het daar met de boosheid gesteld is.

maandag 21 november 2022

Moe

 

‘Jezus was vermoeid van de reis en bleef zo bij de bron zitten’ (Johannes 4:6).

Ik ben net opgestaan, heb ontbeten, neem mijn dagelijkse Bijbellezing door en blijf haken bij deze zin: ‘Hij bleef bij de bron zitten’. Jezus was soms te moe om op te staan. De lezing gaat door met: ‘Zijn leerlingen waren naar de stad  gegaan om eten te kopen.’ Dus Jezus had hen alleen laten gaan, hij ging niet mee. Opeens merk ik dat ikzelf eigenlijk het liefste nog even in bed zou kruipen. ‘Jezus bleef bij de bron zitten’. Waarom zou ik deze morgen niet aan mijn vermoeidheid toegeven en gewoon nog even gaan liggen? Voor ik het weet ben ik al halverwege de trap naar boven.

Na ruim een uur word ik wakker, uitgerust om aan de dag te beginnen. Eerst maar verder lezen: ‘Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tot haar: ’Geef mij wat te drinken’. Jezus was dus niet alleen moe, hij had ook dorst en hij vroeg aan die vrouw om zijn dorst te lessen. Met die vraag begint het bekende ‘gesprek met de Samaritaanse vrouw’. Een gesprek waar door de eeuwen heen eindeloos over getheologiseerd is. Maar voor dat dit goed en wel op gang komt ben ik al door twee  dingen geraakt. Ten eerste dat Jezus hier aan zijn vermoeidheid toegeeft, iets wat ik dus net ook gedaan heb, en ten tweede dat Jezus, de Mens onder de mensen, zich op aarde niet gedroeg als een supermens die niemand anders nodig had. Hij vraagt iemand anders, die vrouw, om hem water te geven.

Twee lessen voor onze maatschappij vol opgejaagde, autonome mensen: Neem af en toe rust en realiseer dat autonomie niet het hoogste goed is. Ieder mens is afhankelijk van andere mensen.     

maandag 14 november 2022

Paula

 

Het was midden in de nacht en de kerkklok sloeg twee. Paula werd wakker of was ze al wakker? Ze telde mee: één, twee, en stelde opgelucht vast dat het bij twee bleef. In andere nachten nestelde ze zich dan opnieuw onder de dekens. maar deze nacht was anders. In plaats van zich om te draaien voelde ze een enorm verlangen om op te staan. Het was alsof de volle maan, die door een kier in de gordijnen op haar neerkeek, die drang versterkte. Met een vaart, die haarzelf overrompelde, sprong ze zo hard uit bed dat ze er met een plof naast terecht kwam. Ze was nu een oude dame, maar ook als klein meisje was ze nooit lenig geweest

Het enig lenige van haar lichaam waren haar handen, haar trots. Achter een vleugel heeft een pianiste ook niet meer nodig. Nu was ze als de eerste de beste ballerina uit bed gesprongen. Nog verdwaasd van die sprong probeerde ze te, tevergeefs, op te gaan staan. Dat kwam ervan als je op haar leeftijd zulke capriolen uithaalde. Met haar handen probeerde ze zich aan het bed op te trekken. Maar haar vingers werkten niet mee. Er ging geen dag voorbij dat ze haar vingervlugheid oefende. Wat was er met haar handen gebeurd? Ze kon het in het halfdonker niet zien maar haar handen voelden meer op vormeloze stompen dan op handen.

Het meest vreemde was die drang naar buiten te willen gaan. Maar hoe? Het lukte niet om te gaan staan, laat staan te lopen.  Dan maar kruipen, net zoals Paultje, bedacht ze. Paultje was haar kleinzoon. Ze boog zich voorover en zette de twee stompen plat op de vloer. Het optrekken van haar rug ging gemakkelijk. Nu de knieën naar binnen trekken en kruipen maar. Paultje zou haar eens moeten zien in het holst van de nacht. Maar in plaats van te kruipen gingen haar benen rechtop staan. Als in een reflex deden haar armen precies hetzelfde en voor ze er erg in had liep ze in een sneltreinvaart op handen en voeten naar de deur die op een kiertje stond. Ze moest en zou naar buiten. Voor de voordeur stond ze stil. Die deur zat op slot. Het buitenavontuur zou hier eindigen. Maar opeens zag ze dat het kleine raampje rechtsboven naast de deur een beetje open stond. Dat liet ze wel vaker  s’ nachts openstaan, zelfs een kind zou zich daar niet door heen kunnen murwen.

Buiten was het gaan regenen, ze rook de natte herfstbladeren en ze stopte met denken. De sprong die ze naar het kleine vensterbankje voor het raampje maakte was zo groot dat ze er bijna afviel maar ze bleef, wiebelend, staan. Ze duwde haar hoofd door de nauwe opening en de geur van de herfstbladeren was zo uitnodigend dat ze met een souplesse die wel aangeboren leek er door heen kroop. Voor dat ze het wist stond ze met een hoge rug en op hoge pootjes op het vensterbankje aan de buitenkant. Nu nog maar één grote sprong naar beneden en haar nachtwandeling kon beginnen… 

maandag 7 november 2022

Weekend

 

‘What is a week-end?’, met nadruk op de laatste lettergreep, een kleine pauze tussen ‘wiek’ en ‘end’ en op zijn Brits uitgesproken: ‘Wot is ee wiek……énd?’ Ogen vol verbazing, een mes en vork die even naast het bord worden neergelegd en een afwachtende houding bij de oma van het landgoed in Downtown Abbey. De man van één van haar achterkleindochters heeft net verteld dat hij een baan heeft gekregen. Schoonpa vraagt verbijsterd: ‘Dan ben je dus niet de hele week beschikbaar op het landgoed?’ Waarop schoonzoon antwoordt: ’Maakt u zich  geen zorgen, ik heb ook nog het weekend.’ En dan komt dat (inmiddels eindeloos geciteerde) zinnetje: ‘Wot is een wiek….énd?’

Als je in Schotland op een landgoed wordt geboren dan bestaat er niet zoiets als een werkweek van vijf dagen en een weekend van uitrusten. Dan hoef je niet te werken, nooit te werken, daar heb je je personeel voor, zeven dagen per week, twee en vijftig weken per jaar. Dan gaat het van jachtseizoen naar jachtseizoen. Niks geen weekend.  

Ik groeide op in de pastorie. Al vanaf heel jong wist ik drommels goed wat een weekend was: de zaterdag waarop het muisstil in huis moest zijn omdat papa bezig was met de preek. En de zondag dat die preek gehouden moest worden. Twee dagen vol opgebouwde spanning, een climax op de zondag morgen en dan op de zondagmiddag een langzame neerdaling waar we móchten lezen en móesten fietsen. Onze weekenden draaiden om de preek, niet om plezier. Voor mijn vader kwam er gelukkig na elke zondag een maandag waarvan hij zijn persoonlijke vrije dag maakte. Maar op maandag wachtte voor ons de school.

Nu woon ik opnieuw in een pastorie en gaat het in de weekenden meestal weer om de preek. Onlangs  was Bernard een weekend vrij en hadden we opeens een weekend zoals iedereen. Geen spanning op zaterdag, ook geen climax op zondag, maar gewoon es doen waar we echt zin in hadden. Niks moest. Alles mocht 😊

maandag 31 oktober 2022

Siësta

Op het gymnasium in Hoogeveen bereidden we ons  een jaar lang voor op de klasse reis naar Rome. ‘Daar gaan jullie de antieke oudheid met eigen ogen zien’, zei Oudman, de leraar Grieks. Daar ga ik zelf meemaken hoe het is om elke dag zonder jas buiten te lopen, dacht ik.

In Rome verbleven we in pension Alba aan de Piazza Navona. Oudman zei: ‘s ’Ochtends werken we de lijst van bezienswaardigheden af, ’s middags houden we siësta en ’s avonds komen we weer samen.’ ‘Wat is siësta mijnheer?’, vroeg een jongen. Iedereen lachte hem uit maar Oudman lachte niet mee: ‘Siësta is het middagdutje dat alle Italianen doen, maar als jullie je daar te groot voor voelen houd ik je niet tegen.’

De eerste drie dagen in Rome waren we ’s middags zo moe dat we niets anders konden dan uitrusten. Op de vierde dag keek ik ’s middags door het raam van het pension naar de strakblauwe lucht en dacht: in Hoogeveen is het blauw absoluut van een andere orde dan hier. Dat blauw lokte me naar buiten. ‘Ik wil helemaal  geen siësta houden’, zei ik tegen mijn vriendinnen. Zij waren het met me eens en in onze zomerjurken met blote mouwen maakten we ons klaar voor een middagwandeling door de straten van Rome. In de gang kwamen we Oudman tegen. ‘Waar gaat dat heen dames?’ ‘We gaan wandelen mijnheer’, we zagen dat hij naar onze blote schouders keek, die waren niet toegestaan geweest in de kerken die we als klas hadden bekeken. ‘Nou, veel plezier’, zei hij voordat hij zijn kamer binnenstapte.

We openden de voordeur van pension Alba en liepen de Piazza Navona op. Dat leek, op een enkele wandelaar na, uitgestorven. De enige die er ruim spel had was de zon, het hele plein was zonovergoten, alleen vlak langs de huizen was een beetje schaduw. De enkele wandelaars liepen juist daar. Ik gooide mijn armen in de lucht en riep: ‘Rome, here we are, helemaal uit Hoogeveen waar de zon nooit en te nimmer zo schijnt als hier.’ We liepen een kwartiertje in de zon en ik merkte dat mijn oksels klam werden. Janneke wreef over haar hoofd en Anna zei: ’In Rome heb je eigenlijk een zonnehoed nodig. Als we in de schaduw lopen voelt het misschien beter’ en ze voegde meteen de daad bij het woord. In Hoogeveen keek ik altijd de lente bijna uit de grond, ik haat winters, dus ik bleef, als enige, in de zon lopen. ’Gaat het Margriet?’, riepen de anderen, toen ik even stilstond en mijn voorhoofd vasthield. Dat hoofd bonsde, mijn handen zweetten en ik plofte neer in het gele droge gras langs de weg. ‘Ik ben helemaal op’, zei ik zachtjes. Ik gloeide over mijn hele lichaam alsof ik koorts had en in mijn hoofd voelde ik een harde steek. Was dat een zonnesteek? Het blauwe van de lucht  dat eerst zo uitnodigend was leek te fluisteren: ga terug, gedraag je als een Italiaan, ga siësta houden…   

maandag 24 oktober 2022

De waard

 

‘Eén ding moet vooral je nooit doen, je elektrische fiets bij het station stallen, want daar worden altijd fietsen gestolen’, hoor ik vaak. Als ik dan zeg dat in de zes jaar dat wij hier wonen mijn fiets nog nooit gestolen is’ krijg ik meestal als reactie: ’Nou, dan heb je geluk gehad, want ze komen soms met busjes waar ze een paar fietsen tegelijk induwen en dan snel wegrijden hé.’ Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten.  

Afgelopen zaterdag speelde er een goede waard de hoofdrol in het kleine drama van mijn fiets bij het station. Ik had die fiets wat haastiger dan gewoonlijk gestald vanwege de regen en stapte in de trein naar Groningen en in de namiddag weer uit de trein vanuit Groningen. Mijn fiets stond als vanouds op me te wachten, ik wilde het sleuteltje er in stoppen en wegrijden maar dat zat niet in mijn jaszak. Ik doorzocht tevergeefs mijn tas en later voor de zekerheid ook even de fietstassen. Daar lag het sleuteltje, op de bodem, ingepakt in het zadelhoesje. Ik kon me niet herinneren dat ik dat zadelhoesje van het zadel had gehaald en ook niet dat ik die sleutel erin had gepakt. Maar bij het bundeltje lag een briefje met een telefoonnummer waaronder stond: Bel dit nummer in verband met je fietssleuteltje.

Eerste wat ik thuis deed was dat nummer bellen. ’Met Peter’, klonk het. ‘Je spreekt met de vrouw van de elektrische fiets bij de trein’, zei ik, ‘waarom moest ik je bellen?’ ’Nou, ziet u’, zei Peter, ’toen ik op het station uitstapte hoorde ik een stel jongens zeggen: Kijk, hier is iemand vergeten het sleuteltje uit het slot te halen, laten we effe wachten tot iedereen van het perron afgelopen is en als er niemand die fiets meeneemt doen wij het. Toen heb ik maar gedaan alsof het mijn fiets was en later het sleuteltje er uitgehaald, ingepakt en in de fietstas gestopt.’

Door Peter veranderde een klein drama in een blijspel en werd mijn geloof dat niet iedereen hier een fietsensteler is niet beschaamd!

(Peter woont overigens in Kollumerzwaag)

maandag 17 oktober 2022

Kind

 

‘Ik wil vanmorgen bij Maartje achter op de fiets’, zegt Anne, de tweede dochter van onze oudste dochter die Maartje heet. Anne is vijf en heeft een zusje van acht boven en een zusje van anderhalf onder zich. Anne is het middelste kind, dus niet de oudste met alle voordelen en aandacht van dien en ook niet de jongste met alle privileges van de Benjamin. Anne is een meisje dat veel nadenkt en het zinnetje van vanmorgen floepte dan ook niet zomaar uit haar mond.

Maar mama Maartje reageert met een frons op haar voorhoofd: ’Wat krijgen we nou, ik ben toch mama voor jou?’ Waarop Anne antwoordt :’Ja, maar ik noem je liever Maartje want als ik je mama noem voel ik me altijd een klein kind’. Maartje schiet in de lach en zette dit zinnetje meteen in de gezinsapp waarna de hele familie mee gniffelt: ’Ach, moet je nou eens horen, vijf jaar en dan al geen kind meer willen zijn.’

Maar oma Margriet, vier en zestig jaar en al vele jaren geen kind meer, denkt ook veel na. Over het verleden, toen ze zelf nog een kind was. Wat een onbezorgde tijd, zonder verplichtingen en verantwoordelijkheden. Een tijd waarin een mens nog mag spelen, mag doen wat hij of zij het liefste doet. Zodra een mens volwassen wordt en op eigen benen staat, moet hij heel veel en mag hij veel minder.

‘Wat zou ik soms graag weer een klein kind willen zijn’, zeg ik tegen Anna de eerstvolgende keer dat ik haar zie. Ze kijkt me met grote ogen aan waarin ongeloof schuilt: ’Echt waar oma?’ Ik knik en zij denkt, want dat doet ze altijd. En na een paar seconden floept er een nieuwe magistrale zin uit haar mond: ‘Nou, ik wil liever dat je gewoon oma blijft, want als je een kind zou worden dan kan ik niet meer bij je logeren en dat doe ik echt het allerliefste!’

maandag 10 oktober 2022

Gedicht

 

Onze straat stinkt

 

naar zwarte uitlaatgassen die toeterende matatu’s uitblazen

zonder rekening te houden met de witte schone bloesjes

van schoolmeisjes die er lachend uitspringen vlak voor onze poort

De maisverkoopsters kijken niet op van hun houtskoolbranders

maar pellen rustig kolf na kolf van de berg mais naast hen

voordat ze de mais in stukjes snijden en roosteren

Aan het einde van de middag vertonen de gestreken schone bloesjes

vlekken en kreukels maar het deert de maisverkoopsters niet

want zij zien uit naar kleine handjes met 5 shilling

naar hen uitgestrekt voor een geroosterd stukje mais

 

De matatu’s trekken op voor onze poort

Dag en nacht dringt het getoeter door

tot ver achter op onze compound

tot in onze slaapkamer

Het geluid is vertrouwder dan onze eigen ademhaling

Ook de uitlaatgassen weten ons huis te vinden

als zwart fijnstof dringt het door tot in alle kamers

zodat wij dagelijks beseffen

dat we in Nairobi wonen

Niet het echte Afrika volgens kenners

Wij kennen alleen dit Afrika

 

Wij houden van onze straat, van de maisverkoopsters met hun mais

van de lachende schoolmeisjes in hun gestreken witte bloesjes

Zelfs van de bont beschilderde busjes met hun getoeter

Op een dag lopen er magere koeien langs onze poort

de honger in hun uitgeteerde lijven heeft hen naar de stad gedreven

in de hoop sprietjes gras langs de weg vinden

Wij houden onze adem in

zelfs de matatu’s zijn even stil

Het echte Afrika sjokt langzaam voort


maandag 3 oktober 2022

Boos worden

 

‘Word niet boos als er dingen tegenzitten. Vraag, vooral lachend, hoe de mensen op wie je boos bent de oplossing voor zich zien en je komt er altijd samen uit.’ Aldus Wieke Biesheuvel. Zij schrijft uit haar ervaring in Zambia.

Had ik dit maar gelezen toen ik in 1998 in Kenia arriveerde. Wij kregen door MAF het middelste van drie huizen op een rij toegewezen op een gezamenlijke compound. Dus we hadden wel een eigen huis, maar niet een eigen tuin. Die moesten we delen met Afrikaanse buren aan de linker en aan de rechterkant. Onze rechterburen was een jong stel met een baby en een puppy. Die baby bleef de hele dag in huis, de puppy bleef buiten. Onze kinderen genoten ervan, maar ik werd boos toen ik zag dat er een stuk van de schoen van onze jongste dochter was afgebeten. Het was een goedkoop plastic sandaaltje, dus mijn boosheid bedaarde snel. De dag erna was het mijn eigen schoen en weer twee dagen later een mooi stuk speelgoed. ‘Laat die dingen dan ook niet allemaal buiten slingeren’, zei Bernard. Maar in Afrika speelt zich het leven buiten af. Na twee weken werd ik op een morgen zo boos dat ik aanbelde en de jonge moeder, die de baby op de arm had, begon uit te foeteren.

Die avond kregen wij bezoek van de andere buurman, een oudere Afrikaan. ‘Mag ik even binnenkomen om met Margriet te praten?’ We lieten hem binnen en ik kreeg een preek: ’Jij woont nog maar kort in Afrika, dus je moet nog veel leren: dat boze getier van vanmorgen hoort niet bij ons als Afrikanen. Ik was beduusd en hield me stil. Een paar dagen later nodigde dezelfde buurman ons en ook het jonge stel bij zich uit op de koffie. Midden in de kamer lag een grote stapel kapot gebeten schoenen, tassen en speelgoed. ‘Vanavond zullen we samen praten over hoe het kan dat jullie hond dit allemaal met onze spullen doet. We hopen dat er een oplossing komt voor dit probleem.’

Zo doen ze dat dus in Afrika.