maandag 14 augustus 2017

Verleidelijke folder

Chemin de fer touristique du Rhin:Toeristische spoorlijn langs de Rijn”: dat klonk veelbelovend. Uit de stuk of honderd folders bij de receptie vond Bernard deze. “Twee voor de prijs van één”, grinnikte hij. Want de folder omschreef een ritje in een oude stoomtrein gecombineerd met een boottocht langs de Rijn met uitzicht op het Zwarte Woud. “Zorg dat u op tijd bent voor de verkoop van de kaartjes”, meldde de folder en dus arriveerden wij twee uur voor vertrek op het oude perronnetje waar allerlei antieke aanplakbiljetten ons nog meer in de stemming brachten. Voor de zekerheid zochten we meteen nadat we het begeerde kaartje bemachtigd hadden een zitplaats in de trein want volgens de folder waren: “zitplaatsen niet gegarandeerd.

”Maar onze coupe, en ook de coupe naast ons bleef leeg, ook toen de trein in beweging was gekomen. We deden de ramen open, maar voor het uitzicht hadden we het niet hoeven doen want dat bleef beperkt tot bomen en struiken die elk uitzicht belemmerden. (Op een veld met mais na, maar die stond te hoog om er overheen kon kijken.) Op het krakkemikkige van de trein na leek het op een ritje tussen Nunspeet en Harderwijk. “Twee voor de prijs van één’ was het zeker niet en dus steeg met elke minuut dat de trein voortsukkelde onze verwachting naar de boottocht. Wat het uitzicht op de Rijn betreft, werden we niet beschaamd, want we zagen inderdaad, wel tien minuten lang, het Zwarte Woud, in de verte, liggen. De rest van de tijd kregen waren het immense fabriekswerven met stapels roestige containers.

En dat terwijl we op onze camping vanaf alle kanten een fantastisch uitzicht op de Vogezen hebben. Was het mooie Frans op die aantrekkelijke folder waardoor wij  ons hadden laten verleiden?

   



maandag 7 augustus 2017

Het Franse feminisme

Ik kocht ze in de Westereen omdat ze wellicht in de Franse Vogezen van pas zouden komen:”Nordic walking sticks.” Met name bekend bij de oudere generatie. Mijn ouders hebben ze ook en zijn er enthousiast over: ”Die helpen echt bij het wandelen”, aldus mijn moeder van twee en tachtig.

Na 9 uur rijden arriveerden we met de Kip op de camping. We hadden het mooiste plekje laten reserveren en dat bleek de enige plaats die nog vrij was: augustus is dé vakantie maand voor de Fransen. Tijdens de voortent opzetten, alles uitruimen en klaarzetten zag Bernard de sticks liggen, ze waren nog ingepakt: “Anders probeer je ze eerst even op de camping uit”, suggereerde hij. Hij paste de maat aan mijn lengte aan, liet zien hoe ik ze moest vasthouden en daar kon ik gaan. Zittend in de voortent had hij er het zicht op.

Een vrolijker begin van de vakantie was voor hem niet denkbaar geweest:” Nee, zó niet, wacht ik zal je laten zien hoe wel." Hij sprong op uit zijn stoel en deed het voor: ”Rechterbeen vooruit, linker stick vooruit en vice versa. Net als met skistokken.” (Die heb ik ook nog nooit in mijn handen gehad, maar dat was hij even vergeten.) Ik zag hoe hij het deed, probeerde het na te doen, maar iedere poging mislukte. Allerlei herinneringen aan schoolgymnastiek kwamen spontaan boven, daar was ik ook niet de handigste. Voor mij was de lol eraf maar toen kwam een oudere Fransman op ons af, met een veelbetekenende grijns op zijn gezicht:”C’est une femme”, zei hij richting Bernard. “Ze is fantastisch”, zo klonk het in mijn oren.

In één zin werd mijn gestuntel met die sticks een prachtige vrouwelijke handeling. Met een knipoog naar mij wandelde hij terug naar zijn tent.




zondag 30 juli 2017

Decadent

De caravan blijft een bron van schrijfinspiratie, want onlangs sprak ik iemand die ons kende van voor ons caravantijdperk: “Dat had ik eigenlijk helemaal niet van jullie verwacht, een caravan”, hij trok zijn neus erbij op: “zoiets decadents.” De toon van zijn stem was dezelfde als die van de jongen-met-meerdere-snelle- auto’s en de dame met-weerzin-tegen-caravans-in-het-algemeen. In de ogen van sommigen is onze geliefde Kip dus niet meer dan een overbodige, decadente sleurhut. Decadent betekent: “In verval geraakt door te ver doordrijven van verfijning waardoor de innerlijke kracht verdwenen is”. Die kennis ging onverstoorbaar verder: ”Want zeg nu zelf, wat blijft er nog over van het échte kamperen met al die luxe van een caravan?”

“Het echte kamperen” deed mij terugdenken aan vakanties met mijn ouders en zussen in Zweden in de jaren zeventig. Heel Zweden reden we rond in een Opel met een zelfgemaakte kar met ophoging erachter. Een kar vol met benodigdheden voor het ‘echte kamperen’: tenten, tentstokken, haringen, luchtbedden en slaapzakken. Mijn ouders waren van het vrije kamperen, dat was toen toegestaan in Zweden. Dus zelfs een camping met toiletvoorzieningen was er niet bij voor ons. “Echt” was het zeker, maar of ik er echt blij mee was is een hele andere zaak. Want ik herinner me nog levendig de Zweedse regen die maar bleef tikken op het tentje van mijn oudste zus en mij: ”Hoelang duurt dit nog?”, riepen we naar mijn vader die in een andere tent een radiootje bij zich had om de weerberichten te checken.

Met onze Kip gaan wij nooit heel ver, dus echt heel warme droge oorden maken wij niet mee en menig Nederlands en Belgisch regenbuitje is al op het dak gevallen.  Maar bij elke regendruppel denk ik opnieuw: Liever decadent in de Kip dan koukleumend in een tent.


   


maandag 24 juli 2017

Mantelzorger

“En wat doe jij?”, die vraag kwam altijd vroeg of laat als mensen ons bezochten in Kenia. Bernard werkte daar voor MAF, Mission Aviation Fellowship. Niet in de lucht als piloot maar in zijn eigen kantoor en het kantoor van de organisaties waarmee hij in gesprek was. Hij was “the boss”, en ik “the wife of the boss”. Tegen elke boss wordt hoog opgekeken door Kenianen en dus ook tegen diens vrouw. Maar als wij een Nederlander op bezoek kregen dan was ik gewoon Margriet en werd van mij verwacht dat ik op zin minst ook iets nuttigs ‘deed’ in Kenia.

Nu ben ik vanaf onze trouwdag huisvrouw, later werd ik moeder, nog weer later schrijfster, maar een betaald beroep heb ik al bijna dertig jaar niet meer. Dus die vraag ‘wat doe jij eigenlijk?’ was altijd een tikje pijnlijk. Uit balorigheid antwoordde ik vaak: ”Ik doe niks, ik leef.” Sinds wij terug zijn in Nederland is het antwoord: ”Ik ben huisvrouw”. De verbaasde en meewarige blikken die dan volgen zijn niet te tellen. Terwijl het een beroep is dat zeven dagen per week uitgevoerd  wordt want in het weekend gaat het gewoon door en vrije dagen zijn er niet bij. Voor niet veel beroepen geldt dat in Nederland.

Om al die meewarige blikken te ontwijken heb ik nu een ander antwoord bedacht. Het klopt misschien niet helemaal, maar toch wel een beetje. Als iemand mij gaat vragen: “Heb jij ook een baan?”, dan ga ik zeggen: ”Ik ben mantelzorger”. (Voor mijn eigen gezonde man, die nog niet op leeftijd is, in mijn eigen huis, maar dat zeg ik er niet bij natuurlijk.) Want ik heb ontdekt dat die onbetaalde functie heel veel status heeft. Ik zie nu al uit naar de bewonderende blikken.



maandag 17 juli 2017

Geen caravan

“Wat wil een mens nog meer?”, schreef ik in een loftuiting op onze Kip-caravan. Een gemeentelid reageerde met de woorden: ”Ik wil geen caravan!”

Deze vrouw woont ‘in het buitengebied’ zoals ze dat in de Westereen zeggen. Voor niet-Friezen is heel Friesland uiteraard ‘buitengebied’, Westereenders noemen alles op meer dan een kwartier fietsen van het winkelcentrum zo. Daar viert het buitenleven inderdaad hoogtij en heeft iedereen een eigen vrijstaand huis(je) met (grote) tuin en uitzicht op de Friese wouden. Als je zo woont hoef je helemaal niet op vakantie met je Kip.Voor ons ligt dat anders. Ons huis is ‘geschakeld’, niet helemaal vrij en zonder groots uitzicht. Aan de andere kant van de schutting horen we zomers een kleuter en peuter ravotten en spelen.  Onlangs hebben die twee een nieuw broertje gekregen, één en al levendigheid dus waar zowel wij als ons kleinkind van genieten. Want als zij bij ons logeert mag ze op de buur-trampoline mee springen. Zulke dingen doe je als je in het ‘binnen gebied’ woont.

Dat samen-delen-samen-spelen zet zich voort op de camping. Ik heb nog geen camping meegemaakt waar we niet binnen de kortste keren met allerlei mensen in gesprek raakten. Die camping-vriendschappen beginnen meestal achter de afwasbakken: ”Gezellig, zo samen afwassen, thuis stop je het in de afwasmachine, hier raak je aan de praat.” Of het nu Drenthe of Frankrijk is, altijd gaat het zo. “Waar staan jullie?” gaat het dan meestal verder en soms is er de verrukte uithaal: “O, hebben jullie ook een Kip? Dat is mooi, want die zijn het beste, wij hebben al onze derde Kip, willen jullie eens binnenkijken?” 

Waarmee ik maar wil zeggen: caravan-leven doet mensen verbroederen! En daarom zijn we dol op ons kipje en schreef ik er opnieuw over. Leve de Kip!

zondag 9 juli 2017

Zonaanbidster

Ik was een zonaanbidster.

Niet letterlijk zoals de oude Egyptenaren, Kelten en Germanen, maar toch. Aan mijn blanke huid is het niet te merken want zelfs uren zon brengen daar weinig verandering in. “Met deze huid wil ik niet op de trouwfoto’s”, verzekerde ik daarom destijds aan Bernard. En ook hij moest voor de trouwdag aan een kuurtje onder de zonnebank in Dokkum geloven. Eén van de redenen waarom ik in 1998 graag met hem naar Kenia vertrok was dat je daar nooit lang op de zon hoeft te wachten. In januari en februari is elke dag zonovergoten in Nairobi. Dan keek ik altijd naar de weersverwachting in Nederland en verzuchtte tegen Jacinta- onze hulp-: “Blij dat ik hier zit.” Maar zij was precies het tegenovergestelde: altijd hopend op een regenbuitje. En daar moet je in Kenia vaak op wachten. 

Kwam het door Jacinta of door Kenia in het algemeen dat ik veranderde? Elf jaar met elke dag zon deed iets met me. Ook ik ging in april -na drie maanden zonder regen- naar de eerste druppels verlangen. Ook ik merkte dat de zon loom maakt en dat ik veel actiever werd als het weer wat opfriste. En mijn huid werd hoogstens sproetig, maar nooit bruin. Kenianen gaan niet in de zon zitten om bruin te worden, dat zijn ze al. De meeste Kenianen zitten liever in de kerk dan in de zon. Urenlang. “Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen”. In Kenia heb ik ze leren kennen, mensen die ervan houden om in de Zon -met een hoofdletter- te zitten. Jacinta was één van hen: de zon met een kleine letter kon haar niets schelen maar Jezus -de zon der gerechtigheid- betekende alles voor haar.  



maandag 3 juli 2017

Ongelofelijke haast

“Op zij, op zij, op zij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, we hebben ongelofelijke haast”: geen lied verwoordt beter het karakter van een Nederlander dan dit. Want die heeft altijd haast. Ik ging dat beseffen in Kenia: daar houden mensen van een praatje , altijd, op de meest ongelegen momenten, niet kort, maar lang. Wanneer ik soms een paar keer per dag Bernards secretaresse  opbelde moest elke keer de hele riedel doorlopen worden: ”Hallo Margriet! How are you?” Hoe het met me ging had ik haar een paar uur eerder al verteld, maar er mocht iets tussen gekomen zijn. Als ik dan zei:” Ik heb nu even haast, dus ik stel je alleen een paar vragen”, werd dat als ongelofelijk bot ervaren. Een echte Nederlander gaat recht op zijn doel af, weet wat ie wil en probeert dat zo snel mogelijk in orde te krijgen.

Nu is er één plek waar dat -ook in Nederland- nooit lukken zal en dat is het ziekenhuis. “Het duurt nog minstens een half uur voor je aan de beurt bent, maar reken maar op drie kwartier,” een niet gehaaste dame onderbrak even haar tijdschrift toen ik aanschoof in de wachtkamer van de oogkliniek in Dokkum. Een paar anderen keken ook op en knikten mij bevestigend toe. “Minstens drie kwartier?”, vroeg ik aan iedereen tegelijk. “O ja, bij dokter zo en zo wel ruim een uur”, verzuchtte een oudere man. “Nou, dat komt dan heel mooi uit”, grijnsde ik hem toe: “want weet u, de accu van mijn e-bike is bijna leeg en die heeft wel een uur nodig om weer op te laden”. Ik stopte de stekker van de accu in het stopcontact, haalde een cappuccino uit de koffieautomaat en stevende op het schap met tijdschriften af. Ik verheugde me op een uurtje mooie bladen lezen, daar ben ik namelijk ongelofelijk dol op. 

maandag 26 juni 2017

De robot

Precies een jaar wonen we nu in de Westereen en deze week is mijn eerste bezoek aan apotheek de ‘Dorpsacker’: dat klinkt landelijk en kneuterig maar zowel van buiten als van binnen is het hier hypermodern. Ik trek mijn nummertje en ben-rond etenstijd- meteen aan de beurt. Vriendelijke apothekersassistente: ”Dus u bent hier nog nooit geweest?” “Uh, wel bij de dokter (de huisartsen- en verloskundige praktijk zijn samen met de thuiszorg en het consultatiebureau in hetzelfde gebouw), maar niet voor medicijnen. “Gebruikt u nog andere medicijnen?” “Uh, nee.” Hoe oud schat ze mij eigenlijk? “Weet u hoe u dit geneesmiddel moet gebruiken?” Opnieuw: “Uh, nee”. Ik voel mezelf opeens kneuterig en dom in dit moderne gebouw.

Mijn linkeroog is het probleem. Sinds een half jaar begint dat op de gekste momenten hevig te tranen zonder enige aanleiding. De dokter adviseerde oogdruppels en de apothekersassistente doet voor hoe ik die moet toedienen. Omdat er geen wachtenden achter me zijn vraag ik: ”Helpt dat nu echt, zulke druppeltjes?” “Wilt u een eerlijk antwoord?” “Ja, heel graag.” Ze kijkt me aan, eerst van top tot teen, dan gefocust op mijn ogen. “Nou, uh” -zij begint ook al met uh- “u wordt een dagje ouder, uw ogen ook en misschien blijft dit probleem wel. ”Zo, die zit. Ik knik haar rimpelloze gezicht toe en krijg er niet eens meer ‘uh’ uit. “De robot is uw medicijn nu aan het uitzoeken, dus u moet even geduld hebben want hij is een beetje traag”. Een robot? In een apotheek? Ik voel me met elke minuut wachten meer van de oude tijd.

Op de terugweg naar huis heb ik één en ander te verwerken: ”Je wordt ouder mama…” Vlak voor onze huisdeur komt het inzicht: Over een aantal jaren ben ik echt een oud vrouwtje, maar toch liever dat dan een machinaal wezen dat nooit veroudert maar ook nooit verandert.”





maandag 19 juni 2017

Liken en belijden

“Heb je mijn Facebookbericht al geliket?” Tien jaar geleden wist niemand in Nederland waar dit over ging, inmiddels kent bijna iedereen het woord ‘liken’ en doen veel mensen het vaak. Even voor iemand die nu nog geen idee heeft: Op Facebook kan een mens alles wat hij wil over zichzelf bekend maken aan net zoveel mensen als hij zelf wil. Wanneer iemand een ander toestemming geeft om zijn/haar ‘pagina’ te bekijken dan wordt dat zijn ‘vriend’. Ik heb ongeveer 700 van zulke ‘vrienden’ en wanneer iemand een ‘like-je’ - een lachend gezichtje- bij mijn melding plaatst levert dat altijd een glimlach achter mijn bureau op. Het is fijn als mensen je waarderen.

Al lang voordat internet en Facebook zijn intrede deden sprak er Iemand over het ‘liken’ en ‘geliket’ worden’. Hij gebruikte een iets andere term: ”Als je Mij belijdt voor de mensen, dan zal ik jou belijden voor de Vader in de hemel.” (Matteüs 10:32) Het is Jezus de Zoon van God die aan het woord is tot zijn 12 vrienden: een heel bescheiden aantal, de meeste mensen op Facebook hebben er meer… Jezus belooft dat als ze lovend over Hem zullen spreken naar andere mensen toe, Hij dat zal doen over hen naar zijn Vader. 

Maar Hij weet- als geen ander- dat een mens van nature een ander mens eerder verraadt en verwerpt dan ‘liket’. Voordat hij aan zijn vrienden het belijden noemt gebruikt Hij hele andere woorden: uitleveren en verraden. Hij zegt dat de mensen dat met Hem en met hen zullen doen. Want zo zijn mensen. De meerderheid ‘likte’ Jezus maar een korte tijd. Het sloeg al snel om met: “Weg met deze Man.” Van zijn echte vrienden hoopt Jezus dat ze Hem zullen blijven belijden/liken, dwars door alles heen. Had Hij er daarom maar twaalf gekozen omdat Hij wist hoe moeilijk dat zou worden?


maandag 12 juni 2017

Iebaik

In onze kerk in de Westereen wordt soms geklaagd wanneer ‘dominee van die Engelse liedjes opgeeft’. Want Nederlands is ook in Friesland vanaf de kansel gebruikelijk en Engels is vreemd. Toch zijn er twee Engelse woorden die ik ook in de Westereen vaak hoor: “tablet” en “e-bike”, uitgesproken als: ‘teblut’ en ‘iebaik’. Zowel jong als oud weet waar we het dan over hebben. “Ik kijk altijd naar de kerkdiensten op mijn teblut hoor”, zei een oude dame van over de 80 tegen mij. En een ander: ”Wij gaan meestal op de iebaik naar Dokkum."

Dat laatste, de iebaik zie je hier overal rondrijden ook met jongeren erop, die schamen ze zich daar niet voor want de windkracht is in Friesland altijd aanmerkelijk hoger dan in andere delen van het land en dan kun je best een beetje trapondersteuning gebruiken. En voor ouderen is het natuurlijk fantastisch om als jonge gazellen op hun iebaiks weer en wind te trotseren.

Wat Bernard en mij betreft zitten we qua leeftijd dichter bij de ouderen dan bij de jongeren maar was een iebaik in mijn belevening altijd iets voor boven-zeventigers. Bovendien fiets ik graag en veel en voel ik me altijd een pondje lichter na een mooie fietstocht. Maar voor Bernard is het een heel ander verhaal. Die houdt van alles wat rijdt zolang het hem zelf maar geen inspanning kost. (In Nairobi reed hij jarenlang motor, totdat dat te gevaarlijk werd). “Als we nu eens allebei een iebaik kochten”, opperde hij voorzichtig in de buurt van mijn verjaardag: “Dan wordt het jouw cadeau dat we er samen op uitgaan en in hetzelfde tempo door de Friese wouden rijden”. Ik hoefde er niet lang over na te denken. Nog diezelfde dag voegden we de daad bij het woord en nu hebben we er al ettelijke tochtjes op zitten. Leve de iebaik!


maandag 5 juni 2017

De bejaarde Kip

“Retro”, het Latijnse woord voor "terug" is tegenwoordige helemaal hip om dingen uit het verleden te benoemen. Zo heb je retro kleding, beeldende kunst, muziek en ook: caravans. Ik mijn vorige blog noemde ik onze Kip een retro, maar dat is niet helemaal waar, want een retro zou een nieuw product, door het verleden geïnspireerd, zijn. Onze Kip is niet geïnspireerd door het verleden maar het verleden zelf: antiek dus. En antiek is helemaal niet hip. Nu is er iets bedacht om antieke caravans hip te maken en dat is het ‘pimpen’, oftewel ‘opleuken’.

Een paar keer ben ik in de verleiding van het pimpen gekomen. In de kringloop zag ik prachtige geel-wit geblokte gordijnstof. Maar Bernard zei: ”Niet doen, kost veel tijd en zo handig ben je nu ook weer niet met de naaimachine.” Hij had gelijk, dus ik zag ervan af. Toch bleef het idee van opleuken hangen. Helemaal omdat onze Kip bepaalde ouderdomsgebreken vertoont. Zo vloog onlangs -op de terugweg uit Drenthe- het dakluik eraf. Wij merkten er onderweg niks van en de onderdelen liggen dus ergens in Drenthe langs de weg, maar wij waren er mooi klaar mee toen we thuiskwamen. Want zo veel ervaring met dakluiken vervangen heeft Bernard nou ook weer niet.

Nu valt er met antieke gordijntjes te kamperen, met een gat in het dak niet. Er zou iemand met wel veel ervaring aan te pas moeten komen. En laat er nu letterlijk om de hoek van ons een echte caravan-pimper wonen. Meer dan een pimper: hij maakt van oude compleet nieuwe caravans. De vervanging van het dakluik was dus zomaar gepiept, hij had er zelfs lol in:” Ik wil aan dit mooie beestje wel een beetje onderhoud doen af en toe”. Een vakman die onze Kip naar waarde weet te schatten dus.  Je bent er maar mee gezegend als je in de Westereen woont!